'Gelijke kansen voor iedereen' en 'uitblinken' zijn
tijdloze kenmerken van de Olympische Beweging.
Deze kenmerken van de Olympische Beweging nodigen uit tot
competitie, nodigen uit tot het halen van het beste uit jezelf en je omgeving,
open en controleerbaar door het publiek op de tribune. Het zijn ook tijdloze
kenmerken van een democratie en van zijn maatschappelijke organisaties.
Bij sporters is een bottom up opbouw van nature duidelijk
waarneembaar: Een sporter poogt uit te blinken en zijn
eigen grenzen te verleggen op achtereenvolgens lokaal, regionaal, nationaal
continentaal en mondiaal niveau.
Ook in de politiek is de bottom up structuur duidelijk
waarneembaar. Leden die hun waarde in de regio bewijzen stromen door tot in de
top.
In sportbesturen is dat veel minder
vanzelfsprekend dan in de politiek. Vaak zie je in de sport dat doorstroom van
lager kader op een bepaald niveau stokt, terwijl net bij deze mensen de ervaring
met democratisch georganiseerde, open structuren, en het daarmee samenhangende
dienend karakter, verankerd is.
Een bestuur dient de achterban te
representeren. Of dat nu een
politieke partij, een sportorganisatie of een andere vereniging
betreft. De samenstelling dient dan ook representatief te zijn voor die
achterban. Ondervertegenwoordiging van bepaalde maatschappelijke groeperingen
in besluitvormende organen dient te kunnen rekenen op positieve actie.
Vanuit mijn positie als
IOC-vertegenwoordiger in Nederland heb ik vanaf
Alle betrokkenen willen de rol van atleten en bonden versterken.
Tijdens de
bijeenkomst van 16 januari heb ik voorgesteld dat, aangestuurd door NOC*NSF,
een “masterplan doorstroom” wordt samengesteld over dit onderwerp (en De BAC
Olympische Idealen en Fair Play wil actief deelnemen in de advisering) dat
vervolgens met eerder genoemde partijen verder wordt uitgewerkt en uitgevoerd
in de vorm van een groeimodel. Ee.a. vertaald in Plan van Aanpak, gebaseerd op
concrete en objectiveerbare doelen, die snel resultaat van die voornemens laten
zien in de bestuurdersprofiel en bestuurssamenstelling
i.c. versterking van de rol van atleten en bonden.
Het bestuur heeft daarmee ingestemd. Mijn notitie van
destijds ging uit van een resultaatgerichte aanpak vanaf de thuiskomst uit Salt
Lake City. Ook gaf ik aan dat vooruitgang m.i. zowel in de statuten als in
verkiezingen tot uitdrukking dienen te komen in een aanpak die verder
uitgewerkt wordt. Na februari 2002 hebben diverse thema’s die nauw samenhangen
met facetten van een masterplan doorstroom aandacht gehad en tot resultaat
geleid, maar ik mis de integrale aanpak.
Daarom stel ik voor het beleidskader te formuleren voor
het masterplan,
-
benoemen van de doelgroepen die voor doorstroom in
aanmerking komen en thema’s die van belang zijn daarbij
-
per
doelgroep gebaseerd op identificatie van kansen en bedreigingen een analyse
maken in de vorm van huidige situatie - gewenste situatie op korte termijn
gewenste situatie op middellange termijn
-
objectiveerbare doelen formuleren in termen van
doorstroomwinst voor de diverse doelgroepen op korte en middellange termijn,
-
aangeven welke instrumenten en middelen ingezet
worden om de doorstroomwinst te bereiken
-
een organisatiemodel
te kiezen
-
tijdbalk samenstellen.
Als eerste aanzet hierbij enkele gedachten:
Doorstroom doelgroepen
-
Doorstroom lager kader bondskader-hoger
bondskader-koepelorganisaties
-
Doorstroom Olympians en andere ex-topsporters
-
Doorstroom sportprofessionals die van baan
veranderen (buiten de sportorganisaties) naar vrijwillig kader
-
Maatschappelijke groeperingen die
ondervertegenwoordigd zijn in sportbestuurlijke functies (positie van vrouwen
in relatie tot belangrijke portefeuilles)
Thema’s:
-
Verkiezingen
-
Verhouding bonden-NOC*NSF bestuur-professionals
-
Cultuur
-
Statuten (als basis van de structuur)
Kansen en bedreigingen-analyse
Op basis
van te ontwikkelen format
Organisatiemodel:
-
Projectgroep bestaande uit stuurgroep,
projectleider, werkgroepen per doorstroom doelgroep of thema
-
Stuurgroep:
o
Taak: nader uitwerken opdracht en
opdrachtformulering aan projectleider en werkgroepen en horizontale en
verticale borging van samenhang en verantwoordelijk voor het uitbrengen van een
breed advies aan sport en politiek dat aan NOC*NSF bestuur wordt voorgelegd en
tijdens een ALV ter instemming aan de bonden wordt voorgelegd in de vorm van
een convenant.
o
Samenstelling: leden uit NOC*NSF bestuur,
bondsbesturen, NOC*NSF atletencommissie, BAC Olympische Idealen, Ministerie van
VWS, directie NOC*NSF, politici met sportportefeuille.
-
Projectleider:
o
Ondersteunt de werkgroepen, zit ze voor en zorgt
voor communicatie tussen stuurgroep en werkgroepen en
werkgroepen onderling
o
Persoon: een krachtig
professional van NOC*NSF, of gedurende de looptijd van het project wordt
aangestuurd door, uit wiens cv blijkt dat hij/zij zelf diverse trajecten binnen
de sport heeft doorlopen en als Olympian een duidelijke affiniteit met de
Olympische Beweging heeft.
-
Werkgroepen:
o
Taak: maken van analyse die uitgaat van de
specifieke werkveld/opdracht der werkgroep en het formuleren van aanbevelingen
in termen van instrumenten via welke de kwalificatie winst kan worden bereikt
en inspanningen die daarvoor nodig zijn.
o
Samenstelling: personen aangezocht door de in de stuurgroep vertegenwoordigde partijen op basis van
Verenigingen, bonden en overheid vormen de hoeksteen van
onze democratische Nederlandse sportstructuur en moeten het als een opdracht de
democratische principes te optimaliseren omdat dat –zie politiek- bijdraagt aan
natuurlijke doorstroming en een goede bottom up structuur, waarin de burger
c.q. de atleet, zich herkent.
In het gesprek van 12 januari heb ik vastgesteld en mijn
vreugde uitgesproken dat statutair de rol van de atleten versterkt wordt en de
atleten de positie krijgen/hebben gekregen die past in het Olympic Charter. Daarom kan
ik me goed voorstellen dat de NOC*NSF Atletencommissie een belangrijke deeltaak
krijgt in de ontwikkeling van het Masterplan doorstroom, waarbij ik ervan uitga
dat zij de 144 en Vereniging van oud olympische deelnemers erbij betrekken.
De atletencommissie moet uitgroeien tot kenniscentrum van
de Nederlandse atleten en actief betrokken worden (zowel als headhunter als
opleider) bij het zoeken naar capabele ex atleten voor bijv. de
samenstelling van het NOC*NSF-bestuur. Met zijn verschillende commissies biedt
de NOC*NSF structuur een uitstekend leerbedrijf. Op die wijze moet het mogelijk
zijn ad hoc benoemingen voor de belangrijke
bestuurlijke posten vrijwel uit te sluiten omdat aankomend talent –in de sport
zelf opgeleid en uit eigen ervaring alle facetten in die sport beleefd- popelt
om het stokje over te nemen. De doorlopende lijn wordt daardoor sterk benadrukt
en dat is een extra zekerheid voor de continuïteit en betrokkenheid.
Atleten hebben niet alleen recht op de know how van het
Nederlandse sportverleden. Ze hebben ook opvolgingsrecht en –plicht op het
terrein van het sportbestuurlijke. Sport heeft een duidelijk internationaal
karakter. Het is recht en plicht van de Nederlandse koepel dat in het eigen
beleid in te bouwen want het komt ook de Nederlandse sport zeer ten goede.
Er is
o.a. op het Europese en mondiaal sportbestuurlijk vlak een
heleboel te doen om uit te drukken dat Nederland een echt sportland is.
Ook hier hebben Olympians een enorme voorsprong.
Bestuurders met een
olympische achtergrond hoeven zich niet keer op keer voor te stellen tijdens
belangrijke internationale vergaderingen. In de olympische atleten directory
staat alles in geuren en kleuren vermeld. Aanwezige congresgangers zoeken uit
zichzelf deze bestuurders/ex-atleten op en stellen zich aan hen voor. Het ijs
is direct gebroken omdat zij niet eerst hun positie moeten legitimeren.
Herinneringen en ervaringen worden uitgewisseld. Eenmaal een olympian, altijd
een olympian.
-
Kweekvijver bestuurskandidaten
-
Besturen volgens beleidsplan
-
Actief beleid tot behoud van ex-atleten voor de
sport
-
Echte verkiezingen met meerdere kandidaten aan de
hand van programma-aanbod dat de kandidaten presenteren (naar IOC voorbeeld en
voorbeeld van )
Een
geëngageerde stimulerende en controlerende taak t.a.v. democratische principes
en democratische controle.
Onder het motto ‘de
sport is autonoom en heeft een zelfreinigend karakter’ staat de politiek toe
dat in de sport nooit iets te kiezen is. Terwijl verkiezingen het hoogste goed
van een democratie is.
Een
voorwaardenscheppende rol, ook door het bieden van good practice.
Utrecht, maart 2003
READER
NOC*NSF MASTERPLAN
DOORSTROOM
Utrecht, maart 2003
II: Terugblik op
facetten met relatie naar doorstroom uit mijn beleidsnota “Liever een hengel dan een vis” (aan NOC*NSF
aangeboden 2001)
Vet/cursief de actuele positie
Omdat in het bestuur de
tijd voor discussie ontbreekt, moeten de bonden dichter bij NOC*NSF staan. Dat
-
te stimuleren
dat bonden een bestuur uit eigen geleding afvaardigen. Dat is tot heden niet
mogelijk, zelfs verboden. Dit vergt een statutenwijziging (art. 5.3; zie ook
mijn eerdere beleidsplannen).
Is voorlopig niet meer aan de orde omdat het verbod gehandhaafd blijft.
-
Olympische
atleten het lidmaatschap van NOC*NSF aan te bieden (Het Olympisch Comité van
Engeland koos na afloop van de Olympische Spelen 2000 te Sydney vijf deelnemers
in het NOC bestuur; ikzelf deed soortgelijk voorstel aan het NOC*NSF bestuur in
een notitie over de organisatie van NOC*NSF d.d. 4 december 1995). Atleten
hebben competenties als doelgericht werken, doorzettingsvermogen, nemen van
risico’s, betrokkenheid, die van belang zijn voor een sportbestuurder. Veelal
zijn het bestuurders die van buiten de sport komen en geen verkiezingsstrijd
hebben hoeven leveren omdat ze alleen beschikbaar waren als er geen
tegenkandidaat was, degenen die zeggen dat de huidige sporters de juiste mentaliteit
en doorzettingsvermogen missen.
Rol van de atleten is enorm versterkt in de nieuwe statuten. De voorwaarden
(hengel) zijn geschapen; nu de duurzame resultaten (vis)
-
het IOC
voorbeeld te volgen (er moet iets te kiezen zijn: Meer
kandidaten, meer programma’s. De samenstelling van het huidig NOC*NSF bestuur
wekt de indruk gebaseerd te zijn op onderling wantrouwen. Men wijst blijkbaar
nog liever een bestuurder aan die geen enkele bestuurlijke binding heeft met
een sportbond dan een medebestuurder van eigen bond of een bestuurder van een
collega sportbond. Daarom zit nu geen enkel bestuurder
van een sportbond in het NOC*NSF bestuur. Voor mij reden de bonden in juni te
attenderen op de voorbeeldfunctie van het IOC.
Dit thema maakt ook deel uit van het beoogd “NOC*NSF Masterplan doorstroom”, dat ik heb voorgesteld en dat in februari 2002 is
aangenomen door het NOC*NSF bestuur”
-
eigen
controlemechanismen door de leden/bonden te versterken.
Een deel van het beleidsplan “Liever een hengel dan een vis” is gebaseerd
op de door de bonden gesignaleerde onvrede met het centralistisch
beleid van NOC*NSF. Ik blijf van mening dat de (Olympische) bonden vrijwillig
ervoor gekozen hebben verder af staan van het NOC*NSF bestuur dan nodig en dat
de oorzaak daarvan ligt in artikel 5.3 van de NOC*NSF statuten. M.i. moeten de
bonden zelf per keer kunnen beslissen of ze een bestuurder kiezen uit eigen
geleding dan wel een onafhankelijk bestuurder.
Verkiezingen bij NOC*NSF hebben niet de impact die ze voor de Olympische Bonden
kunnen hebben. Ik heb voldoende hierover gecommuniceerd en zal dit accepteren
als onderdeel van een package wijzigingen van de NOC*NSF statuten dat als democratisch genomen besluit
geldt en uiteindelijke luidde tot het prioriteitsthema bij uitstek van mijn
beleidsnota “Liever een hengel dan een vis”: goedkeuring van de NOC*NSF
statuten door het IOC. Ondanks 5.3 communiceren de bonden tegenwoordig
intensiever met NOC*NSF dat inmiddels erkend heeft dat
goed luisteren naar de eigenaren van NOC*NSF essentieel is. Ik heb ook de
indruk dat de dynamiek in de dialoog tussen bestuur en leden tijdens Algemene
Ledenvergadering toeneemt en er minder dan voorheen sprake is van ceremoniële
Algemene ledenvergaderingen, waarbij de echte zaken reeds
zijn gedaan in het vooroverleg met de grote bonden. Deze toename van dynamiek past goed in mijn
visie op de rolverdeling tussen bonden-bestuur-staf, die deel uitmaakt van mijn
beleidsplan Liever een hengel dan een vis”. Vanwege de reeds
geconstateerde good practice treft u deze paragraaf (“Mijn visie op het
functioneren van het NOC*NSF bestuur”) achter deze notitie aan als
beleidsbijdrage in de beeldvorming over de diverse rollen.
(compilatie uit
eerdere stukken; maart 2003)
Zelden
valt er echt iets te kiezen bij verkiezingen voor landelijk belangrijke
functies in de sport. Noch uit personen, noch uit programma’s. Uiteraard wordt ervoor gezorgd dat aan
de statutaire verplichtingen wordt voldaan. Maar ik zie dat als pure window
dressing en zie meer en meer een vennootschapsachtige structuur ontstaan, met
de leden op grote afstand.
Verkiezingen zijn evenwel het cement van een democratie en dus ook van sportbesturen.
Aan de dynamiek waarmee verkiezingen worden gehouden kun je afmeten in hoeverre
een organisatie erin geslaagd is daadwerkelijk inhoud aan de democratische
principes te geven.
Een atleet en ook politieke
vertegenwoordigers zijn gewend aan 'Winnen' en 'verliezen'. Hij of zij gaat de
competitie aan op basis van een campagne en wint of verliest publiekelijk. De procedure die de PvdA volgde voor het aanwijzen
van de nieuwe fractieleider als opvolger van de heer Melkert was een pracht
voorbeeld: drie kandidaten, die zich presenteerden met eigen profiel en eigen
prioriteiten. Ik heb voorafgaand aan de fractie-leiderverkieizng de drie
kandidaten met hun stap en instelling gecomplimenteerd. De procedure blijkt ook
door de kiezer begrepen. De PvdA scoorde uitstekend bij de Tweede Kamer
verkiezingen en de verkiezing van Provinciale Staten bevestigde de
bestendigheid van de TK-uitslag ….
Verkiezingen in de sport
dienen een identiek verloop te hebben: Meerdere kandidaten die de competitie
met elkaar aangaan. In de politiek vinden we daar mooie voorbeelden van. In
eigen land en erbuiten. Op basis van (partij-)programma's en persoonlijkheid
proberen kandidaten de kiezers duidelijk te maken waarop juist op hen gestemd
moet worden. Verkiezingen nopen iemand het beste van zichzelf te geven, te
vertellen wat men wil bereiken en zich kwetsbaar op te stellen.
Er zijn mensen die in hun
eerste gesprek zeggen 'Ik wil me kandidaat stellen, maar dan moeten jullie
ervoor zorgen dat er geen tegenkandidaten zijn'. Maatschappelijke organisaties
die daarop ingaan, en dat is geen uitzondering, verdienen in mijn ogen de
status 'democratisch bestuurd' niet. Ik mis al jarenlang het actief beleid om iets van echte verkiezingen te maken.
Goede voorbeelden van echte verkiezingen zijn in de
sport te schaars. Onder invloed van allerlei factoren van culturele en
structurele aard verliezen verkiezingen in de sport hun dynamisch karakter.
Toch zijn er altijd in de directe omgeving goede voorbeelden te vinden:
-
De IOC Presidentsverkiezingen: Meer kandidaten;
meer programma’s en de mogelijkheid om programma-suggesties te doen. Met uiteindelijk Dr. Rogge als winnaar
(en in 2002 voor de tweede opeenvolgende keer door de uitgever van Sport Intern
uitgeroepen tot sportpersoonlijkheid van het jaar. Voorwaar een duidelijke
aanwijzing dat de door de IOC kandidaten gevolgde procedure een uiterst
functionele is.
-
Verkiezingen
bij de Judo Bond Nederland, de bond waarvan ik ere-lid ben en de roeibond laten
zien dat het wel degelijk mogelijk is uit meerdere kandidaten te kiezen.
-
Naar
hartelust uitbreiden met good practice voorbeelden uit de bonden….
NOC*NSF moet hierbii het
goede voorbeeld geven door een stimulerende werving van kandidaten ruim voor de
verkiezingen.
Het scheppen van optimale
condities om maximaal doorstroomwinst te maken via het instrument der verkiezingen
is geen vanzelfsprekendheid. Ook bij dit thema stel ik me derhalve
voor dat een analyse wordt gemaakt van
kansen en bedreigingen, waarna objectiveerbare en haalbare doelen voor korte en
middellange termijn worden geformuleerd evenals het ondersteuningsprogramma via
welk de doelen bereikt kunnen worden. Deze doelen worden vervolgens door het NOC*NSF
bestuur bediscussieerd en vastgesteld en in de ALV geagendeerd (Deze lijn kan
worden gevolgd bij thema- en doelgroepen doorstroombeleid).
IIIB: Mijn zorgen over de periode na de Winterspelen van
Salt Lake City.
Mijn
vorige gespreksnotitie grijpt voornamelijk terug op gebeurde zaken. Na ons constructief
eerste gesprek heb ik nog een reactie naar Theo gestuurd over punten van
aandacht n.a.v. het gesprek. Vervolgens heb ik dit stuk maximaal
toekomstgericht geschreven. Toch ontkom ik er niet aan erop te wijzen dat
recente publicaties waarin de NOC*NSF voorzitter geciteerd wordt over mij, mij
pijnlijk hebben getroffen. Als de journalist hem goed heeft
gequoot zou ik NOC*NSF en de Nederlandse sport bewust hebben willen beschadigen
en zou ik pure onwaarheden hebben verteld.
Jullie
moeten je kunnen voorstellen dat ik mijn life-time commitment
met de sport op geheel andere wijze beleef.
Voor
mij zijn drie punten van belang:
1.
Heeft
NOC*NSF in 2001 gewerkt met door het IOC goedgekeurde statuten?
2.
Heeft
het IOC drie pagina’s met aanwijzingen voor statutenwijziging gestuurd?
3.
Komt
in de Algemene Ledenvergadering van NOC*NSF op 16 mei 2002 statutenwijzigingen aan
de orde?
Ik
zie dat de geschiedenis zich herhaalt. Inmiddels ben
ik sinds 1997 ’s werelds hoogst gegradueerde judoka en ere-lid van de IJF. 29
januari 2000 eerde de Kokushikan Universiteit van Tokio me met het
ere-doctoraat. Bij die gelegenheid schreef de heer Park, President van de
Internationale Judo Federatie in zijn voorwoord op mijn dissertatie dat
….
De
heer Park spreekt hier over dezelfde ideeën waarvoor ik jaren tevoren
opmerkingen moest slikken dat ik de judosport wilde beschadigen…...
Ik
ben kritisch, vasthoudend en opereer vanuit een permanente vorm van
ontevredenheid omdat ik door mijn betrokkenheid en enorm
netwerk heel vaak zie en hoor dat iets beter kan. Logisch dat ik, waar ik een
opdracht uit het IOC heb, die ik serieus oppak. Maar als de roerganger van NOC*NSF
dat uitlegt als beschadiging van NOC*NSF en Nederlandse sport, voel ik mezelf
beschadigd. Zeker omdat tot heden mijn stukken gericht
aan het bestuur door hem van generlei aandacht werden voorzien. Teveel stukken
werden, als ze al in de bestuursvergadering aan de orde kwamen ingebracht als
ingekomen stuk en voor kennisgeving aangenomen, zonder dat er met de inhoud
iets werd gedaan. Duidelijk wil ik aangeven dat ik in deze
rol gedwongen ben. Het is een goed recht van de voorzitter geen tijd te
nemen om met de IOC-vertegenwoordiger overleg te voeren of iets met diens voorstellen
te doen. Het is mijn recht te pogen aandacht voor mijn
voorstellen (vnl. m.b.t. Olympische Beweging) te krijgen. Ik doe dat altijd via
dezelfde route: eerst intern dan extern.
Met
het risico dat ik weer op iemands tenen trap door te stellen
“Beter goed gejat dan slecht ontwikkeld”, wil ik andermaal het IOC ten
voorbeeld stellen. In dit geval door aan te geven hoe het IOC, met daarin een duidelijk rol voor de voorzitter, bestuur en professionals,
omgaat met het Evaluatie rapport dat ik als IOC Delegate maakte na afloop van
de Olympische Spelen in Sydney.
In mijn beleidsnota
“Liever een hengel dan een vis”, heb ik mijn zorgen geuit over cultuur en
structuur in NOC*NSF. Ik wil dat nader uitwerken als aftrap naar het
vervolggesprek op 16 januari a.s. van Ernst Faber,
Ter illustratie:
* Het heeft na mijn
eerste oproep daartoe precies 15 jaar geduurd voordat atleten bestuurlijke
verantwoordelijkheid gaan krijgen in NOC*NSF. Dat is
liefst 12 jaar nadat de atletencommissie is opgericht (citaat uit toespraak Jan Loorbach tijdens
1st European seminar “On the position of the athlete”
* Onder voorzitterschap
van Ernst Faber heeft een onafhankelijke werkgroep in januari 1998 aan
toenmalig voorzitter Wouter Huibregtsen een uitgewerkt voorstel gepresenteerd
waarin de verhouding tussen NOC*NSF bestuur en de Nederlandse IOC-leden werd
uitgewerkt. Kernpunten van dat voorstel, door de toenmalige voorzitter vlak
voor zijn vertrek naar Nagano geaccordeerd, hebben grote overeenkomst met de
door Theo voorgestelde aandachtspunten.
Ik leid daaruit af dat
ontwikkelingen binnen NOC*NSF erg langzaam gaan en één der oorzaken daarvan is
m.i. het gegeven dat binnen NOC*NSF te vaak bestuursbenoemingen op ad hoc basis plaats vinden. Dat leidt ertoe dat bestuurders
komen en gaan en iedere keer weer moeten inwerken, het wiel uitvinden en dan
vertrekken, terwijl de life-time sportbetrokkenheid en doorstroom van
bestuurders onvoldoende aandacht wordt besteed. Dit gebrek aan continuïteit wordt
versterkt door de vele mutaties in de Papendal staf.
Ons vorig gesprek was van
dien aard positief dat ik –naast de punten die ik in mijn reactie op Theo’s
samenvatting heb aangegeven- durf aan te sturen op een sterk resultaatgerichte
aanpak in de vorm van het voorstel van een “masterplan doorstroom Olympians”
dat op korte termijn aantoonbaar resultaat heeft.
Toelichting:
NOC*NSF heeft in zijn
(topsport)beleid duidelijk een slagboom ingebouwd. Die ligt rond de Spelen van
2004. Dat beeld wordt versterkt door de publicaties rond de klacht van de
sportbonden over de toenemende macht van NOC*NSF en uitspraken gedaan tijdens
het topsportdebat. Alles is erop gericht in SLC en Athene méér medailles dan
ooit te halen. Alles moet daarvoor aan de kant. In ons vorig gesprek heb ik
aangegeven de indruk te hebben dat er beleid wordt gevoerd waarmee maximaal
tegemoet wordt gekomen aan het verlanglijstje van atleten en trainers, zonder
daarbij verantwoordelijkheid voor de continuïteit van de totale (topsport)
organisatie te dragen.
In
de voorbereiding op SLC en Athene krijgt elke atleet die naar een exotisch
plekje wil om daar te trainen of om zich zelf weer te ontdekken de kans daartoe
(Albeda: “Na afloop van de Spelen mag geen enkele atleet oorzaak van falen
zoeken in gebrek aan faciliteiten en ondersteuning”).
Wat na 2004 gebeurt met NOC*NSF
is onduidelijk op een aantal punten zowel in termen van financiën als van
bestuur, staf en organisatie.
-
Financieel:
in financiële zin gaapt er na 2004 een enorme kloof tussen ambitie en realiteit
bij topsport. Tal van sponsorcontracten lopen af.
-
Bestuurlijk:
er zit een interim-bestuur dat voorwaardenscheppend de weg naar de toekomst
moet plaveien. Als ik kijk naar de benoeming van de chef de mission en
portefeuillehouder topsport, heeft dit bestuur niet gekozen voor het principe
“van, voor en door de sporters”. Zelf ben ik er niet in geslaagd de bonden bewust te maken van het belang dat
artikel 5.3 uit de statuten moet, waarbij ik graag het verbod opgeheven zie dat
bondsbestuurders ook bestuurder van NOC*NSF mogen zijn als bonden daar zelf
voor kiezen. Gelukkig komt er in mei 2002 tijdens de ALV wel meer invloed voor
de atleten en heeft het bestuur nadrukkelijk uitgesproken dat de bonden veel
intensiever bij kandidaatstellingen voor NOC*NSF bestuur worden betrokken en
gevraagd worden voordrachten te doen. Ook dat is winst.
-
Staf: Het
team de mission wordt ontbonden in 2004.
-
Organisatie: NOC*NSF
heeft nogal wat kracht naar zich toegetrokken van de bonden (centralistisch
beleid gebaseerd op verdeel en heers strategie). Binnen NOC*NSF opereert het
team de mission en de bestuurder met topsport als werkveld formeel onder
verantwoordelijkheid van het gehele bestuur, maar feitelijk autonoom. Het
gevaar van verdere segmentatie ligt daarmee op de loer.
Minimaal vier factoren
wijzen erop dat de tijd rijp is om in het bestuur de zaak nog eens heel goed te
evalueren en na te gaan waar de NOC*NSF werkwijze aanpassing behoeft:
-
Het einde van
Olympische (Winter)spelen is een uitermate geschikt en natuurlijk moment van
evaluatie (gekoppeld aan de evaluatie van de prestaties).
-
De kritiek
uit de 144, genootschap van sportvrienden. Ik citeer: “Betreurenswaardig is dat
voor de functie van chef de mission voor de Olympische Spelen van Athene 2004
door NOC*NSF niet een sporter of een sportster als Cees Vervoorn of Conny van
Bentum is aangewezen, maar wel een vergadertijger als Peter Vogelzang, aan
wiens competentie we overigens geen twijfel hebben. Jammer dat dit bestuur van NOC*NSF
een traditie van de laatste Olympiades heeft doorbroken. De chef de mission
hoort een oud-topsporter te zijn en niet een bureaumanager. Voor de naderende
Olympische Winterspelen in Salt Lake City staat nog wel iemand aan het roer die
zelf voor de medailles heeft gestreden. Wij wensen
-
Als je
atleten in alles tegemoet komt, biedt dit de organisatie slechts tijdelijk
rust, maar niet permanent.
-
De brief van
20 november van de contactgroep Grote Bonden die op een groot aantal terreinen
hun zorgen over de ontwikkelingen binnen NOC*NSF en de afstemming met de bonden
uitspreken (Oorzaak no. 1 is volgens mij artikel 5.3 van de statuten).
T.a.v. het gesprek wil ik twee hoofdthema’s aan de orde
stellen. Het zijn thema’s die door recente voorbeelden niet alleen voor mezelf
belangrijk zijn, maar ook binnen NOC*NSF belangrijk worden nu ze op de agenda
staan. Het zijn:
De tijd is er dus rijp voor, ook omdat onze visie op die
thema’s niet (meer) echt controversioneel is. Alle betrokkenen willen de rol
van atleten en bonden versterken. Vooruitgang dient m.i. dan zowel in de
statuten als in verkiezingen tot uitdrukking te komen in een aanpak die verder
uitgewerkt wordt.
In de periode rond de
Olympische Spelen zie je een verhoging van het aantal atleten
die hun carrière als actief sporter afsluiten.
In mijn eerdere
beleidsplannen heb ik er altijd op aangedrongen dat het bestuur dat moment moet
oppakken om extra inspanningen te doen om deze atleten te behouden voor de
sport zodat ze hun morele verplichting hun kennis en ervaring – voor een groot
deel opgebouwd met gemeenschapsgeld- over te dragen
aan de nieuwe generatie sporters: het aanvaarden van
bestuursverantwoordelijkheid is één van de mogelijkheden.
Ik benadruk overigens dat
niet alleen atleten die overdrachts-verantwoordelijkheid hebben maar ook
coaches en anderen in de directe omgeving van de atleten, die dankzij de
uitzonderlijke prestaties van die atleten een hoog inkomen genieten in de sport
en na afloop van de spelen het nog grotere geld
nalopen, terwijl een groot deel van de atleten, opnieuw vanaf de nullijn moeten
starten.
Ik benadruk ook dat die atleten en coaches door
een actief NOC*NSF bestuur op die rol dienen te worden voorbereid (voorbeeld:
het Duits voetbal is voorbeeldig in deze zin: de bondscoach weet doorgaans
jaren tevoren dat hij genomineerd is voor die functie en krijgt
aanloopfuncties; de manager van een der belangrijkste clubs –Bayern München- is
een ex-topvoetballer die nu al aankondigde de huidige doelman –Kahn- voor te
bereiden op het overnemen van zijn functie in 2006. Zoals ik hierboven
vermeldde, ben ik er in de afgelopen jaren niet in geslaagd te bewerkstelligen
dat chef de mission en portefeuillehouder topsport zijn gekozen uit de atleten
c.q. Olympians. Ik heb er geen enkele invloed op kunnen uitoefenen. Sterker
nog: ik ben er helemaal niet bij betrokken en kon alleen maar ja zeggen, wat ik
helaas niet anders kon. Terwijl ik vind dat de olympische atleten het recht
hebben op een bestuur en chef de mission met olympische ervaring. Die weten precies hoe het eraan toe gaat in de aanloop naar
de spelen, in het Olympisch dorp en vooral tijdens de wedstrijden. De chef de
mission is een aanvulling voor de coach, niet sport technisch,maar
vooral op het mentale vlak. Ik ken voldoende voorbeelden van atleten, die enorm
geïrriteerd raakten als iemand zonder olympische ervaring een of ander advies
wilde geven.
.
Ik stel vast dat de rol
van de atleten in het buitenland wordt versterkt:
-
Denk aan FIFA
–zie brief FIFA voorzitter Blatter aan mij-,
-
denk aan
voorbeelden als Beckenbauer, Rumenigge, Hoeness en
-
denk vooral
aan het IOC voorbeeld -Olympian Rogge als voorzitter- die bij de vergadering
van de IOC atleten commissie met gejuich werd ontvangen en verwelkomt
werd met de woorden:”Geachte voorzitter, we zijn vereerd U als olympian in onze
vergadering te mogen begroeten”.
Bovendien zie je in de
Nederlandse sport media dat steeds meer ex sporters
een plek krijgen bij de professionele verslaggevers, een ontwikkeling
die ik van harte toejuich.
Met genoegen stel ik vast
dat het NOC*NSF bestuur voornemens is aan de ALV voor te stellen de atleten een
bestuurszetel toe te kennen en bovendien heeft aangegeven de bonden actief bij
verkiezingen te betrekken.
Die uitgesproken
intenties zie ik graag vertaald in concrete aanpak, gebaseerd op concrete
doelen, die snel resultaat van die voornemens laten zien in de
bestuurdersprofiel en bestuurssamenstelling i.c. versterking van de rol van
atleten en bonden. Meteen na afloop van de Winterspelen is de tijd rijp en het
moment aangebroken om daar actief beleid op te gaan voeren teneinde
te voorkomen dat er in 2004 een slagboom is die blijkt dicht te gaan.
De samenstelling van het
huidig interim bestuur biedt volop de kans ook voor de buitenwacht
herkenbaar te accentueren dat nieuw beleid gevoerd wordt. Ik heb de vrijheid
genomen wat namen te noemen van ex-olympische deelnemers (medaille winnaars)
die voor het Nederlandse sportbestuurlijke onontbeerlijk zijn. Ik denk aan
Peter Blangé, André Bolhuis, Ard Schenk,
Zo zou ik wel door kunnen
gaan, maar dat laat ik liever over aan de instanties die alle know how van de
sport herbergen: NOC*NSF, de Atletencommissie, de 144, Vereniging van oud
olympische deelnemers en vanzelfsprekend de bonden. Deze kenniscentra
Atleten hebben niet
alleen recht op de know how van het Nederlandse sportverleden. Ze hebben ook
opvolgingsrecht en –plicht op het terrein van het sportbestuurlijke. Sport
heeft een duidelijk internationaal karakter. Het is recht en plicht van de
Nederlandse koepel dat in het eigen beleid in te bouwen want het komt ook de Nederlandse
sport zeer ten goede.
Er is o.a. op het Europese en mondiaal
sportbestuurlijk vlak een heleboel te doen om uit te drukken dat Nederland een
echt sportland is.
Ook hier hebben Olympians
een enorme voorsprong. Bestuurders met een olympische achtergrond hoeven zich
niet keer op keer voor te stellen tijdens belangrijke internationale
vergaderingen. In de olympische atleten directory staat alles in geuren en
kleuren vermeld. Aanwezige congresgangers zoeken uit zichzelf deze bestuurders/ex-atleten
op en stellen zich aan hen voor. Het ijs is direct gebroken omdat zij niet
eerst hun positie moeten legitimeren. Herinneringen en ervaringen worden
uitgewisseld. Eenmaal een olympian, altijd een olympian.
Mijn voorstel is dat,
aangestuurd door NOC*NSF, een masterplan “doorstroom” wordt samengesteld over
dit onderwerp (en ik stel het op prijs als het bestuur
de BAC Olympische thema’s en Fair Play hierover een advies laat uitbrengen) dat
vervolgens met eerder genoemde partijen verder wordt uitgewerkt en uitgevoerd.
Daarbij heb ik nog twee andere thema’s:
Overbodig te stellen dat
ik in mijn werk als IOC Delegate at the Olympic Games voor de zevende
achtereenvolgende Olympische Spelen bijgestaan word door Martin Franken die jullie
ook kennen als lid van de NOC*NSF Bestuursadviescommissie Olympische Idealen en
Fair Play.
Ik stel er prijs op als
we –analoog aan de Olympische Spelen in Sydney- in ons gesprek aandacht
schenken aan het maken van concrete werkafspraken over onze wederzijdse
activiteiten in Salt Lake City. In Sydney hebben de afspraken voortreffelijk
gewerkt en daarin had ook Martin een functie.
Utrecht, 11 januari
2002
Het Brits Olympisch
Comité heeft direct na afloop van de Olympische Spelen van afgelopen jaar in
Sydney, vijf atleten die aan de Spelen deelnamen gekozen in hun NOC bestuur.
Daarmee schoten de
Engelsen in de roos. Een sportbestuurder dient de afspiegeling te zijn van de
actieve sporter, die de slogan heeft van "If you
want to be a champion, you have to look like a champion". M.a.w.: "Ik
durf en ga het duel aan, wat tevens inhoudt dat er een goede voorbereiding aan
verbonden is". Helaas is deze slogan voor een groot
deel van Nederland niet van toepassing. Een soortgelijk voorstel om de atleten
die na de Olympische Spelen van Atlanta gingen stoppen in het NOC*NSF
bestuurlijke ervaring op te laten doen is niet opgepakt. In Nederland is het
gebruikelijk geworden dat een kandidaat gevraagd wil worden en enigste kandidaat wil zijn. Affiniteit met sport is geen
vereiste en iedereen moet maar aannemen dat de kandidaat ook een goed sportbestuurder wordt.
Deze Nederlandse gewoonte
zorgt er tevens voor dat maar weinig Nederlanders op internationale posities
komen. Op een enkeling na zijn Nederlandse sportbestuurders niet gewend aan
competitie en schuwen het duel. In ons land komt het zelden voor dat een benoemd sportbestuurder wordt weggestemd of hij moet het wel
erg bont hebben gemaakt. Die sportbestuurder gaat pas op als hij/zij er zelf genoeg van heeft.
Internationaal kom je daar niet ver mee. Maar het kan ook anders en in mijn
vorige column in "Judovisie" en in een brief aan alle bonden stelde
ik het IOC en JBN ten voorbeeld en niet ten onrechte zoals in de afgelopen
weken bleek.
In vergelijking met de
Nederlandse situatie waren de bestuursverkiezingen tijdens de IOC sessie in
Moskou een pracht voorbeeld van democratie en transparantie. Voor het
hoofdbestuur waren er zes kandidaten, voor het voorzitterschap vijf en voor het
vice-presidentschap één, maar ook voor deze ene kandidaat werd, zoals het hoort
in een democratisch bestel, een geheime stemming gehouden.
Tijdens het IJF-congres op 23
juli in München werd het hoofd van de IJF scheidsrechterscommissie gekozen. Er
waren twee kandidaten. Beide kandidaten hebben een grote staat van dienst in
het judo als wedstrijdjudoka, scheidsrechter en bestuurder en beiden hadden
twee maanden tevoren hun beleidsplannen aan de leden/bonden gestuurd, die
daarom in staat waren de plannen te bestuderen, hun keuze te bepalen. In de
toekomst kunnen ze op gezette tijden het werk van de gekozene toetsen aan zijn
beleidsplan en hem daarvoor prijzen of veroordelen.
Jan Snijders
Een prachtvoorbeeld van
een bottom up sportloopbaan van atleet naar sportbestuurder is ook de pas in
het EJU hoofdbestuur gekozen Jan Snijders, hoofd van de
scheidsrechterscommissie van Europa, een eer die nog nooit een Nederlander te
beurt is gevallen. Eerst een fantastische wedstrijdjudoka, toen trainer, waardoor hij de noodzakelijke betrokkenheid toonde. Daarna
scheidsrechter in Nederland, toen Europees daarna mondiaal en nu
hoofdbestuurder in de EJU. Dat is de ideale weg die een sportbestuurder moet
afleggen om de belangen van de bonden en atleten op het hoogste niveau te
vertegenwoordigen.
Atleten hebben een
natuurlijke betrokkenheid bij de sport. Door je na afloop van je actieve
carrière beschikbaar te stellen voor een bestuursfunctie, stel je de nieuwe
generatie ook in staat te genieten van de sport. Je begint bijvoorbeeld bij je
club, dan bij je district, dan nationaal dan internationaal. Dat tijdpad heb je
nodig om geschoold te raken in het sportbestuurlijke. Het is de periode die
gelijk staat aan je voorbereiding als actief sporter op een nationaal of
internationaal toernooi of kampioenschap. Je omgeving, die je al kent als
actief sporter, moet je nu leren kennen als bestuurder. Daarbij moet je
geholpen worden door je bond, wat in het geval van Jan Snijders is gebeurd. Tijdens mijn bezoek aan de Kano Cup wedstrijden in januari in
Tokio, informeerde de nieuwe EJU-President me en vroeg mijn advies. Dat
deed hij ook bij de JBN voorzitter. Op die wijze wordt een kandidatuur gedragen
voor die wordt gepresenteerd.
Peter Blangé
Jan Snijders heeft zich
de afgelopen twintig jaar in Europa gemanifesteerd als een sportbestuurder van
hoge klasse. Peter Blangé lijkt dezelfde weg te gaan als Jan Snijders. Peter
Blangé, Olympian en zelfs Olympisch medaillewinnaar, is lid en nu ook
voorzitter van de NOC*NSF atletencommissie, zit inmiddels
in de Europese atletencommissie en is lid van de NOC*NSF
Bestuursadviescommissie Olympische Idealen en Fair Play. Hij heeft inmiddels zes jaar ervaring met
sportbesturen. Dat is een prachtige basis die rechtvaardigt dat hij kandideert
voor een plaats in het NOC*NSF bestuur. Ik hoop dan ook dat de Nederlandse
Volleybal Bond hem als kandidaat of de atletencommissie. Wellicht kan ook de
Bestuursadviescommissie Olympische Idealen en Fair Play dat.
Atleten worden sportbestuurder
Jan Snijders en Peter
Blangé zouden met hun ervaring uitstekend als bestuurder kunnen functioneren in
het werkveld topsport en als natuurlijke opvolgers van de huidige bestuurders
gepositioneerd moeten worden omdat ze daarmee in staat worden gesteld te
voldoen aan hun morele verplichting kennis en ervaring
over te dragen. De bonden moeten stimuleren dat ze die gelegenheid krijgen. Aan
brede bondssteun voor atleten ontbrak het in het verleden. Mensen als Ard
Schenk zouden bij brede ondersteuning van bonden nationaal en internationaal
niet meer weg te denken zijn.
Met Jacques Rogge heeft
het IOC een voorzitter gekregen die dezelfde natuurlijke weg doorlopen en
geleidelijk, maar snel, doorgestroomd is naar het hoogste sportambt ter wereld. We mogen daarbij niet
vergeten dat ook alle andere presidentskandidaten op een rijke
sport(bestuurlijke)carrière bogen waarbij vier van vijf kandidaten, waaronder Rogge deelnamen aan de Olympische Spelen.
Een ander supervoorbeeld
van bottom up doorstroom is de sportcarrière van
Sergei Bubka. De ex-polsstokhoogspringer werd lid van de IOC-atletencommissie,
voorzitter van de Europese atletencommissie en lid van het IOC. In juli werd
hij in Moskou gekozen tot lid van het IOC Executive Board en is nu ook
bestuurslid van de Internationale Atletiek Federatie.
Dit alles in Nederland
(nog) onmogelijk.
IIIC: PLEIDOOI VOOR DEMOCRATISCHE CONTROLE IN DE SPORT
door
(Aan NOC*NSF bestuur
aangeboden in 1996)
Een sportman weet wat het is
om te winnen en te verliezen. Bij elke wedstrijd. 'It's all in the game'. Wij
kennen dit in onze eigen sporten judo en American football. Wij kennen het ook
bij het besturen van de sport. Deze laatste rol geeft ons zicht op de macht in
de sport. En daarover hijsen wij de stormbal.
DE OLYMPISCHE GEDACHTE EN
DEMOCRATIE
'Gelijke kansen voor
iedereen' en 'uitblinken' zijn tijdloze kenmerken van de Olympische Beweging.
Deze kenmerken van de
Olympische Beweging nodigen uit tot competitie, nodigen uit tot het halen van
het beste uit jezelf en je omgeving, open en controleerbaar door het publiek op
de tribune. Het zijn ook tijdloze kenmerken van een democratie en van zijn
maatschappelijke organisaties. Of het nu politieke partijen of
sportorganisaties zijn.
Daarom is het zeer
interessant enkele kenmerkende elementen van zowel politieke partijen als
sportorganisaties naast elkaar te zetten. We doen dat aan de hand van de
volgende items:
- de Algemene Ledenvergadering
- bottom up structuur
- evenredige vertegenwoordiging
- verkiezingen
- de rol van informatie
- de rol van de vrijwilligers
DE ALGEMENE LEDENVERGADERING
In vele bonden neemt de
belangstelling voor ledenvergaderingen af. Er komen steeds minder leden, het
kan de leden niet veel schelen. En als een sporter flegmatiek wordt over
verliezen is er reden tot alarm. Waarom gebruikt de sporter zijn invloed niet?
Het aantal
ledenvergaderingen per jaar is laag, vaak maar twee keer. Daardoor is de agenda
te vol en is er geen tijd voor discussie. Bovendien is de agenda vaak
voorgekookt. Afwijking van een voorstel kan vaak niet, schetsen de
bestuurders, of de bond wordt geschaad. Verder komen er steeds meer stichtingen
naast de vereniging. De vereniging is democratisch georganiseerd, die
stichtingen zijn dat niet. De ledenvergadering als belangrijkst orgaan wordt
op deze manier weggestructureerd.
BOTTOM UP STRUCTUUR
Kenmerkend voor
democratische organisaties is de bottom up structuur.
Bij sporters is een bottom
up opbouw van nature duidelijk waarneembaar: Een sporter poogt
uit te blinken en zijn eigen grenzen te verleggen op achtereenvolgens locaal,
regionaal, nationaal continentaal en mondiaal niveau.
Ook in de politiek is de
bottom up structuur duidelijk waarneembaar. Leden die hun waarde in de regio
bewijzen stromen
door tot in de top.
In sportbesturen is dat veel
minder vanzelfsprekend dan in de politiek. Vaak zie je in de sport dat
doorstroom van lager kader op een bepaald niveau stokt, terwijl net bij deze
mensen de ervaring met democratisch georganiseerde, open structuren, en de daarmee samenhangende dienend karakter, verankerd is.
EVENREDIGE
VERTEGENWOORDIGING
Een bestuur dient de
achterban te representeren. Of dat nu een politieke partij, een sportorganisatie
of een andere vereniging betreft. De samenstelling dient dan ook
representatief te zijn voor die achterban. Ondervertegenwoordiging van bepaalde
maatschappelijke groeperingen in besluitvormende organen dient te kunnen
rekenen op positieve actie. Neem bijvoorbeeld de positie van de vrouw in de
sport.
In het IOC wordt veel
aandacht besteed aan de positie van de vrouw. In de negentiger jaren staat de
rol van de vrouw in de educatieve instrumenten van
het IOC wereldwijd centraal.
Op 18 juli 1996 werd het
Olympic Charter verrijkt met een toevoeging m.b.t. de rol van het IOC:
- ...
'Strongly encourages by appropriate means the promotion of women in sport at
all levels and in all structures, particularly in the executive bodies of
national and international sports organizations with a view to the strict
application of the principle of equality of men and women'.
Het IOC verankerde op die
wijze haar streven en geeft in het eigen benoemingsbeleid het voorbeeld.
In de Nederlandse
sportbesturen, met de totale bevolking als doelgroep, is nog veel werk aan de
winkel op dit gebied. Zeker waar het de vertegenwoordiging van vrouwen in
bestuurlijke en kaderfuncties betreft. Bijna 40% (peiling 1994) van het aantal
georganiseerde sporters is vrouw. Het percentage vrouwelijke bestuurders
in sportorganisaties steekt daar zeer schril tegen af: iets meer dan 10%.
Nog schriller het aantal
vrouwelijke voorzitters (4%) en penningmeesters (4%) bij hoofdbesturen. Als
secretarissen schijnen vrouwen iets beter gepositioneerd met 20%.
De functieverdeling op
bondsbureaus is evenwichtig:
44% van het aantal
professionals is vrouw. Als het echter om leidinggevenden gaat, valt dit
percentage terug naar 20%.
In november 1996
presenteerde IOC lid Anita Defrantz (vice-wereldkampioen roeien 1978 en brons
tijdens Olympische Spelen van 1976) het rapport van de IOC werkgroep 'Vrouw en
Sport' waarvan ze voorzitter is. In de appendix waarin
de vrouwelijke bestuurders van door het IOC erkende organisaties (w.o. NOC's,
Internationale Sport Federaties) zijn opgesomd, komt welgeteld één naam
van een Nederlandse vrouw met internationale portefeuille voor!
VERKIEZINGEN
Verkiezingen zijn het cement
van een democratie en dus ook van sportbesturen. Aan de dynamiek waarmee
verkiezingen worden gehouden kun je afmeten in hoeverre een organisatie erin
geslaagd is daadwerkelijk inhoud aan de democratische principes te geven.
Een atleet en ook politieke
vertegenwoordigers zijn gewend aan 'Winnen' en 'verliezen'. Hij of zij gaat de
competitie aan en wint of verliest publiekelijk.
Verkiezingen in de sport
dienen een identiek verloop te hebben: Meerdere kandidaten die de competitie
met elkaar aangaan. In de politiek vinden we daar mooie voorbeelden van. In
eigen land en erbuiten. Op basis van (partij) programma's en persoonlijkheid
proberen kandidaten de kiezers duidelijk te maken waarop juist op hen gestemd
moet worden. Verkiezingen nopen iemand het beste van zichzelf te geven, te
vertellen wat men wil bereiken en zich kwetsbaar op te stellen.
Er zijn mensen die in hun
eerste gesprek zeggen 'Ik wil me kandidaat stellen, maar dan moeten jullie
ervoor zorgen dat er geen tegenkandidaten zijn'. Maatschappelijke organisaties
die daarop ingaan, en dat is geen uitzondering, verdienen in onze ogen de
status 'democratisch bestuurd' niet.
Goede voorbeelden van echte
verkiezingen zijn in de sport te schaars. Onder invloed van allerlei factoren
van culturele en structurele aard verliezen verkiezingen hun dynamisch karakter.
DE ROL VAN INFORMATIE
In een sociaal-maatschappelijke
organisatie is het van belang dat de verantwoording voor het beleid ligt bij
hen die publiekelijk verantwoording moeten afleggen: de bestuurders. De
verantwoordelijkheid die bestuurders dragen heeft derhalve
per definitie een 'tijdelijk' (benoemingsduur) karakter. De verantwoordelijkheid
voor de uitvoering kan liggen bij een bestuursapparaat (het 'bureau') dat
op zijn beurt weer zoveel mogelijk info terugsluist
naar de beleidsverantwoordelijken.
Als
bestuurders zich uit tijdgebrek op afstand plaatsen en toestaan dat ze onvoldoende
worden geïnformeerd duidt de historie van sociaal-maatschappelijke
organisaties op een valkuil: Er ontstaat dan een informatie-monopolie bij het
bureau; de professionals worden daarmee ook steeds meer beleidsbepalend.
We moeten dan ook zeer alert
zijn op dergelijke valkuilen van het democratisch bestel. Zeker omdat tot
heden ook bestuursverkiezingen in de sport niet zijn wat we ons daaronder
voorstellen en aan ledenvergaderingen weinig echte keuzes worden gelaten.
DE ROL VAN DE VRIJWILLIGERS
De Elfstedentocht was het
grootste nationaal media-spektakel van de afgelopen
tien jaar. Naast de 16.000 deelnemers op de schaats volgden ruim tien miljoen
Nederlanders de tocht der tochten op de voet. Ter plekke of aan de beeldbuis.
Een van de meest bepalende succesfactoren was volgens ons het 'Sport voor en
door de Sporters'-principe. Het plezier in de sport, hoe bizar deze opmerking
bij het zien van sommige beelden ook moge klinken, stond centraal. Bij
sporters en publiek. Het was sport puur; volledig georganiseerd door
vrijwilligers, niet gedomineerd door de commercie.
Vrijwilligers vormen de kurk
waarop zowel de politiek als de sport drijft. Dat geldt voor elk niveau van de
functie/taak. De toegevoegde waarde van de professional is alleen acceptabel
als een vrijwilliger die niet kan bieden.
Het maximaal benutten van
hun kracht op elk niveau is niet alleen een vorm van respect voor het vele
deskundig en belangeloos werk dat de 750.000 vrijwilligers in de sport uitvoeren,
maar ook een vorm van kostenbesparing.
Zowel tijdens de GAISF
Assemblé (Vergadering Internationale Sportbonden) als tijdens de
EOC-vergadering (Vergadering Europese NOC's) liet de IOC-president weten erg
blij te zijn met het gegeven dat door het IOC tot het jaar 2008 contracten
zijn afgesloten waarmee miljarden USDollar zijn gemoeid.
Trots was hij op het feit
dat de contracten tot stand waren gekomen na lange en moeizame onderhandelingen
die met de contractanten werden gevoerd door vrijwilligers in de sport, die
werken tegen nul-tarief.
Van deze inkomsten kan derhalve 94% worden doorgeleid aan NOC's, Internationale
Federaties, Olympic Solidarity, de organisatie van Olympische Spelen.
IOC-lid Dick Pound (2x
Olympisch finalist zwemmen in 1960; goud zilver brons tijdens Commonwealth
Games in 1962), verantwoordelijk voor de marketing portefeuille van het IOC
merkt daarnaast op dat alle IOC sponsorcontracten aan de NOC's de ruimte
en de kans bieden deze partnerrelatie met de Olympische Beweging voor eigen
profit op nationaal niveau verder uit te werken.
IOC-lid Dick Pound: "Some NOC's
have effectively managed to double and even triple the contributions of the TOP
sponsors by developing additional value-added local programmes with the
regional offices of the sponsors".
DE SPORTMAN WEER AAN DE
MACHT
Hoe professioneler het
bestuur en hoe sterker de invloed van professionals, des te hoger de noodzaak
van democratische controle. Die controle loopt via de ledenvergadering en
via de procedures van verkiezingen. Om die vergadering van de sporters zelf
weer nieuw leven in te blazen loopt de weg overigens niet via de gezelligheid.
Koffie met koek vooraf en een borrel na afloop lokken niet meer mensen naar de
vergadering maar naar die borrels. De weg naar een betere democratische controle
loopt via invloed. De sporter moet invloed hebben. Daarvoor hebben we zes
aanbevelingen:
Aanbeveling 1: Vergaderingen
met de sporters op elk niveau.
Nu zijn de sporters welkom op de ledenvergadering van de
club. Daarboven vergaderen de bestuurders met elkaar op landelijk niveau. Wij
pleiten voor een landelijke vergadering waar alle leden van sportclubs binnen
een bond welkom zijn en stemrecht hebben. Het zijn massale, democratische
dagen, waarop de grote lijnen de instemming rechtstreeks van de sporters
krijgen.
Aanbeveling 2: Rechtstreekse
verkiezingen.
Zoals een clubbestuurder
rechtstreeks door de leden wordt gekozen, zo moet dat ook op de hogere
niveau's. Ieder clublid kan zich in dit model kandideren door het insturen van
een simpel formulier. Alle clubleden krijgen een boekje met de kandidaten met
foto en hun schriftelijke toelichting. Met een alweer simpel stembiljet kan elk
lid stemmen. De optelsom van de stembiljetten is de uitslag.
Aanbeveling 3: Geen bestuursfuncties
garanderen.
Besturen willen efficiënt
zijn en invloed hebben. Daarom wordt vaak gekeken naar nationaal bekende
personen die zich qua management bewezen hebben. Niks mis mee. Maar die mensen
willen nogal eens alleen kandidaat zijn als er geen tegenkandidaten zijn. En
dat zit fout. Sporters weten te winnen of te verliezen, ook in het bestuur. Het
is niet leuk om gevraagd te worden en het dan niet te halen. Het doet zeer,
maar zeker in de sport hoort het erbij. Een bestuur kan wel een kandidaat aanbevelen,
maar de eerste verantwoordelijkheid is dat de vergadering een keuze wordt voorgelegd.
Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur ervoor te zorgen dat er iets te
kiezen valt.
Aanbeveling 4:
Onafhankelijke voorzitter voor de ledenvergadering.
Een onafhankelijke voorzitter die wordt gekozen door de
vergadering zelf. Hij of zij zorgt voor een evenwichtig verloop van de
vergadering. Het bestuur verdedigt vaak plannen. De leden in de vergadering
moeten een garantie hebben op een faire kans om hun mening te uiten. Een
onafhankelijke voorzitter maakt de kans op procedurele manipulatie ook
kleiner.
Aanbeveling 5:
Ledenvergadering-commissies.
Een commissie van de leden die het bestuur controleert
bestaat in de meeste bonden al in de vorm van de kascommissie. Die wordt
benoemd door de ledenvergadering en rapporteert daaraan. Prima democratische
controle. Naar dat model zou een bond meerdere commissies kunnen instellen.
Zoals een besluitvormingscommissie. Deze commissie geeft ter
vergadering uitleg van de statuten. Het oordeel is bindend.
Aanbeveling 6: Positieve
discriminatie waar nodig.
De bestuurssamenstelling dient een weerspiegeling van de
achterban te zijn. Vrouwen hebben op besluitvormende posities en in
hoofdbesturen grote achterstand. Ook stromen te weinig sportbestuurders door.
SLOT
Durven te kandideren. Durven
te verliezen. Durven jezelf controleerbaar te maken. Durven de invloed te laten
aan diegenen die het toekomt. Wij pleiten voor dit soort moed in het besturen
van de sport. En bevelen deze discussie aan voor alle sportorganisaties.
Tom Kok is voorzitter van het
hoofdbestuur van D'66.