NOC*NSF

MASTERPLAN DOORSTROOM

Startdocument

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Door: Anton J. Geesink, IOC vertegenwoordiger in Nederland

Utrecht, maart 2003

 


I: NOC*NSF MASTERPLAN DOORSTROOM

Door: Anton J. Geesink

 

Legitimering voorstel en basisvisie

 

'Gelijke kansen voor iedereen' en 'uit­blin­ken' zijn tijdlo­ze kenmerken van de Olympische Bewe­ging.

 

Deze kenmerken van de Olympische Beweging nodigen uit tot competi­tie, nodigen uit tot het halen van het beste uit jezelf en je omgeving, open en controleerbaar door het publiek op de tribune. Het zijn ook tijd­loze kenmerken van een demo­cratie en van zijn maat­schappe­lijke organisa­ties.

 

Bij sporters is een bottom up opbouw van nature duidelijk waarneembaar: Een sporter poogt uit te blinken en zijn eigen grenzen te verleggen op achtereenvolgens lokaal, regio­naal, nationaal continentaal en mondiaal niveau.

 

Ook in de politiek is de bottom up structuur duidelijk waar­neembaar. Leden die hun waarde in de regio bewijzen stromen door tot in de top.

 

In sportbesturen is dat veel minder vanzelfsprekend dan in de politiek. Vaak zie je in de sport dat doorstroom van lager kader op een bepaald niveau stokt, terwijl net bij deze mensen de erva­ring met demo­cra­tisch georgani­seerde, open structu­ren, en het daarmee samen­hangende dienend karakter, verankerd is.

 

Een bestuur dient de achterban te representeren. Of dat nu een  politieke partij, een sportorganisatie of een andere vereni­ging betreft. De samenstel­ling dient dan ook representatief te zijn voor die achterban. Ondervertegenwoor­diging van be­paalde maat­schappe­lijke groepe­rin­gen in besluit­vormende orga­nen dient te kunnen reke­nen op positieve actie.

 

Vanuit mijn positie als IOC-vertegenwoordiger in Nederland heb ik vanaf 1987 in diverse beleidsplannen en –notities de doorstroom, en vooral de redenen waarom die m.i. veraf staat van het model dat door het IOC zelf wordt voorgeleefd aan de orde gesteld.

 

Directe aanleiding

 

In het gesprek van 16 januari 2002 met Frits Brink, Hans Gerrits Jans, Ernst Faber en Theo Fledderus twee hoofdthema’s aan de orde gesteld. Het zijn thema’s niet alleen voor mezelf belangrijk zijn, maar ook binnen NOC*NSF belangrijk worden/zijn omdat ze op dat moment op de agenda waren gekomen van het NOC*NSF. Het zijn:

 

  1. De rol van de atleten en de ex-atleten (intensivering en doorstroom).
  2. De verhouding bonden - NOC*NSF (intensivering en doorstroom).

 

Alle betrokkenen willen de rol van atleten en bonden versterken.

 

Tijdens de bijeenkomst van 16 januari heb ik voorgesteld dat, aangestuurd door NOC*NSF, een “masterplan doorstroom” wordt samengesteld over dit onderwerp (en De BAC Olympische Idealen en Fair Play wil actief deelnemen in de advisering) dat vervolgens met eerder genoemde partijen verder wordt uitgewerkt en uitgevoerd in de vorm van een groeimodel. Ee.a. vertaald in Plan van Aanpak, gebaseerd op concrete en objectiveerbare doelen, die snel resultaat van die voornemens laten zien in de bestuurdersprofiel en bestuurssamenstelling i.c. versterking van de rol van atleten en bonden.

 

Het bestuur heeft daarmee ingestemd. Mijn notitie van destijds ging uit van een resultaatgerichte aanpak vanaf de thuiskomst uit Salt Lake City. Ook gaf ik aan dat vooruitgang m.i. zowel in de statuten als in verkiezingen tot uitdrukking dienen te komen in een aanpak die verder uitgewerkt wordt. Na februari 2002 hebben diverse thema’s die nauw samenhangen met facetten van een masterplan doorstroom aandacht gehad en tot resultaat geleid, maar ik mis de integrale aanpak.

 

Daarom stel ik voor het beleidskader te formuleren voor het masterplan,

-          benoemen van de doelgroepen die voor doorstroom in aanmerking komen en thema’s die van belang zijn daarbij

-           per doelgroep gebaseerd op identificatie van kansen en bedreigingen een analyse maken in de vorm van huidige situatie - gewenste situatie op korte termijn gewenste situatie op middellange termijn

-          objectiveerbare doelen formuleren in termen van doorstroomwinst voor de diverse doelgroepen op korte en middellange termijn,

-          aangeven welke instrumenten en middelen ingezet worden om de doorstroomwinst te bereiken

-          een organisatiemodel te kiezen

-          tijdbalk samenstellen.

 

Als eerste aanzet hierbij enkele gedachten:

 

Doorstroom doelgroepen

-          Doorstroom lager kader bondskader-hoger bondskader-koepelorganisaties

-          Doorstroom Olympians en andere ex-topsporters

-          Doorstroom sportprofessionals die van baan veranderen (buiten de sportorganisaties) naar vrijwillig kader

-          Maatschappelijke groeperingen die ondervertegenwoordigd zijn in sportbestuurlijke functies (positie van vrouwen in relatie tot belangrijke portefeuilles)

 

Thema’s:

-          Verkiezingen

-          Verhouding bonden-NOC*NSF bestuur-professionals

-          Cultuur

-          Statuten (als basis van de structuur)

 

Kansen en bedreigingen-analyse

            Op basis van te ontwikkelen format

 

Organisatiemodel:

-          Projectgroep bestaande uit stuurgroep, projectleider, werkgroepen per doorstroom doelgroep of thema

-          Stuurgroep:

o        Taak: nader uitwerken opdracht en opdrachtformulering aan projectleider en werkgroepen en horizontale en verticale borging van samenhang en verantwoordelijk voor het uitbrengen van een breed advies aan sport en politiek dat aan NOC*NSF bestuur wordt voorgelegd en tijdens een ALV ter instemming aan de bonden wordt voorgelegd in de vorm van een convenant.

o        Samenstelling: leden uit NOC*NSF bestuur, bondsbesturen, NOC*NSF atletencommissie, BAC Olympische Idealen, Ministerie van VWS, directie NOC*NSF, politici met sportportefeuille.

-          Projectleider:

o        Ondersteunt de werkgroepen, zit ze voor en zorgt voor communicatie tussen stuurgroep en werkgroepen en werkgroepen onderling

o        Persoon: een krachtig professional van NOC*NSF, of gedurende de looptijd van het project wordt aangestuurd door, uit wiens cv blijkt dat hij/zij zelf diverse trajecten binnen de sport heeft doorlopen en als Olympian een duidelijke affiniteit met de Olympische Beweging heeft.

-          Werkgroepen:

o        Taak: maken van analyse die uitgaat van de specifieke werkveld/opdracht der werkgroep en het formuleren van aanbevelingen in termen van instrumenten via welke de kwalificatie winst kan worden bereikt en inspanningen die daarvoor nodig zijn.

o        Samenstelling: personen aangezocht door de in de stuurgroep vertegenwoordigde partijen op basis van  

 

Stakeholders

 

Verenigingen, bonden en overheid vormen de hoeksteen van onze democratische Nederlandse sportstructuur en moeten het als een opdracht de democratische principes te optimaliseren omdat dat –zie politiek- bijdraagt aan natuurlijke doorstroming en een goede bottom up structuur, waarin de burger c.q. de atleet, zich herkent.

 

Rol atleten

 

In het gesprek van 12 januari heb ik vastgesteld en mijn vreugde uitgesproken dat statutair de rol van de atleten versterkt wordt en de atleten de positie krijgen/hebben gekregen die past in het Olympic Charter.  Daarom kan ik me goed voorstellen dat de NOC*NSF Atletencommissie een belangrijke deeltaak krijgt in de ontwikkeling van het Masterplan doorstroom, waarbij ik ervan uitga dat zij de 144 en Vereniging van oud olympische deelnemers erbij betrekken.

 

De atletencommissie moet uitgroeien tot kenniscentrum van de Nederlandse atleten en actief betrokken worden (zowel als headhunter als opleider) bij het zoeken naar capabele ex atleten voor bijv. de samenstelling van het NOC*NSF-bestuur. Met zijn verschillende commissies biedt de NOC*NSF structuur een uitstekend leerbedrijf. Op die wijze moet het mogelijk zijn ad hoc benoemingen voor de belangrijke bestuurlijke posten vrijwel uit te sluiten omdat aankomend talent –in de sport zelf opgeleid en uit eigen ervaring alle facetten in die sport beleefd- popelt om het stokje over te nemen. De doorlopende lijn wordt daardoor sterk benadrukt en dat is een extra zekerheid voor de continuïteit en betrokkenheid.

 

Atleten hebben niet alleen recht op de know how van het Nederlandse sportverleden. Ze hebben ook opvolgingsrecht en –plicht op het terrein van het sportbestuurlijke. Sport heeft een duidelijk internationaal karakter. Het is recht en plicht van de Nederlandse koepel dat in het eigen beleid in te bouwen want het komt ook de Nederlandse sport zeer ten goede.

Er is  o.a. op het Europese en mondiaal sportbestuurlijk vlak een heleboel te doen om uit te drukken dat Nederland een echt sportland is.

 

Voorsprong olympians

 

Ook hier hebben Olympians een enorme voorsprong. Bestuurders met  een olympische achtergrond hoeven zich niet keer op keer voor te stellen tijdens belangrijke internationale vergaderingen. In de olympische atleten directory staat alles in geuren en kleuren vermeld. Aanwezige congresgangers zoeken uit zichzelf deze bestuurders/ex-atleten op en stellen zich aan hen voor. Het ijs is direct gebroken omdat zij niet eerst hun positie moeten legitimeren. Herinneringen en ervaringen worden uitgewisseld. Eenmaal een olympian, altijd een olympian.

 

Rol bonden

-          Kweekvijver bestuurskandidaten

-          Besturen volgens beleidsplan

-          Actief beleid tot behoud van ex-atleten voor de sport

-          Echte verkiezingen met meerdere kandidaten aan de hand van programma-aanbod dat de kandidaten presenteren (naar IOC voorbeeld en voorbeeld van )

 

Rol overheid

Een geëngageerde stimulerende en controlerende taak t.a.v. democratische principes en democratische controle.

 

Onder het motto ‘de sport is autonoom en heeft een zelfreinigend karakter’ staat de politiek toe dat in de sport nooit iets te kiezen is. Terwijl verkiezingen het hoogste goed van een democratie is.

 

 

Rol NOC*NSF

            Een voorwaardenscheppende rol, ook door het bieden van good practice.

 

Utrecht, maart 2003

 

 

Terug

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

READER

 
 
 
 
 
Bijlage bij startdocument

NOC*NSF MASTERPLAN DOORSTROOM

 

 

 

 

 

 

 

 

Anton J. Geesink, IOC vertegenwoordiger in Nederland

Utrecht, maart 2003

II: Terugblik op facetten met relatie naar doorstroom uit mijn beleidsnota  “Liever een hengel dan een vis” (aan NOC*NSF aangeboden 2001)

 

 Vet/cursief de actuele positie

 

Omdat in het bestuur de tijd voor discussie ontbreekt, moeten de bonden dichter bij NOC*NSF staan. Dat kan door:

 

-                     te stimuleren dat bonden een bestuur uit eigen geleding afvaardigen. Dat is tot heden niet mogelijk, zelfs verboden. Dit vergt een statutenwijziging (art. 5.3; zie ook mijn eerdere beleidsplannen).

Is voorlopig niet meer aan de orde omdat het verbod gehandhaafd blijft.

-                     Olympische atleten het lidmaatschap van NOC*NSF aan te bieden (Het Olympisch Comité van Engeland koos na afloop van de Olympische Spelen 2000 te Sydney vijf deelnemers in het NOC bestuur; ikzelf deed soortgelijk voorstel aan het NOC*NSF bestuur in een notitie over de organisatie van NOC*NSF d.d. 4 december 1995). Atleten hebben competenties als doelgericht werken, doorzettingsvermogen, nemen van risico’s, betrokkenheid, die van belang zijn voor een sportbestuurder. Veelal zijn het bestuurders die van buiten de sport komen en geen verkiezingsstrijd hebben hoeven leveren omdat ze alleen beschikbaar waren als er geen tegenkandidaat was, degenen die zeggen dat de huidige sporters de juiste mentaliteit en doorzettingsvermogen missen.

Rol van de atleten is enorm versterkt in de nieuwe statuten. De voorwaarden (hengel) zijn geschapen; nu de duurzame resultaten (vis)  

-                     het IOC voorbeeld te volgen (er moet iets te kiezen zijn: Meer kandidaten, meer programma’s. De samenstelling van het huidig NOC*NSF bestuur wekt de indruk gebaseerd te zijn op onderling wantrouwen. Men wijst blijkbaar nog liever een bestuurder aan die geen enkele bestuurlijke binding heeft met een sportbond dan een medebestuurder van eigen bond of een bestuurder van een collega sportbond. Daarom zit nu geen enkel bestuurder van een sportbond in het NOC*NSF bestuur. Voor mij reden de bonden in juni te attenderen op de voorbeeldfunctie van het IOC.

Dit thema maakt ook deel uit van het beoogd “NOC*NSF Masterplan doorstroom, dat ik heb voorgesteld en dat in februari 2002 is aangenomen door het NOC*NSF bestuur”

-                     eigen controlemechanismen door de leden/bonden te versterken.

Een deel van het beleidsplan “Liever een hengel dan een vis” is gebaseerd op de door de bonden gesignaleerde onvrede met het centralistisch beleid van NOC*NSF. Ik blijf van mening dat de (Olympische) bonden vrijwillig ervoor gekozen hebben verder af staan van het NOC*NSF bestuur dan nodig en dat de oorzaak daarvan ligt in artikel 5.3 van de NOC*NSF statuten. M.i. moeten de bonden zelf per keer kunnen beslissen of ze een bestuurder kiezen uit eigen geleding dan wel een onafhankelijk bestuurder. Verkiezingen bij NOC*NSF hebben niet de impact die ze voor de Olympische Bonden kunnen hebben. Ik heb voldoende hierover gecommuniceerd en zal dit accepteren als onderdeel van een package wijzigingen van de NOC*NSF statuten  dat als democratisch genomen besluit geldt en uiteindelijke luidde tot het prioriteitsthema bij uitstek van mijn beleidsnota “Liever een hengel dan een vis”: goedkeuring van de NOC*NSF statuten door het IOC. Ondanks 5.3 communiceren de bonden tegenwoordig intensiever met NOC*NSF dat inmiddels erkend heeft dat goed luisteren naar de eigenaren van NOC*NSF essentieel is. Ik heb ook de indruk dat de dynamiek in de dialoog tussen bestuur en leden tijdens Algemene Ledenvergadering toeneemt en er minder dan voorheen sprake is van ceremoniële Algemene ledenvergaderingen, waarbij de echte zaken reeds zijn gedaan in het vooroverleg met de grote bonden.  Deze toename van dynamiek past goed in mijn visie op de rolverdeling tussen bonden-bestuur-staf, die deel uitmaakt van mijn beleidsplan Liever een hengel dan een vis”. Vanwege de reeds geconstateerde good practice treft u deze paragraaf (“Mijn visie op het functioneren van het NOC*NSF bestuur”) achter deze notitie aan als beleidsbijdrage in de beeldvorming over de diverse rollen.

 


 

 

III: THEMA’S

 

IIIA: Verkiezingen

(compilatie uit eerdere stukken; maart 2003)

 

Zelden valt er echt iets te kiezen bij verkiezingen voor landelijk belangrijke functies in de sport. Noch uit personen, noch uit programma’s.  Uiteraard wordt ervoor gezorgd dat aan de statutaire verplichtingen wordt voldaan. Maar ik zie dat als pure window dressing en zie meer en meer een vennootschapsachtige structuur ontstaan, met de leden op grote afstand.

 

Verkiezingen zijn evenwel het cement van een democratie en dus ook van sport­besturen. Aan de dynamiek waarmee verkiezin­gen worden gehouden kun je afmeten in hoeverre een organisatie erin geslaagd is daadwerkelijk inhoud aan de democratische princi­pes te geven.

 

Een atleet en ook politieke vertegenwoordigers zijn gewend aan 'Win­nen' en 'verliezen'. Hij of zij gaat de competitie aan op basis van een campagne en wint of verliest publiekelijk. De procedure die de PvdA volgde voor het aanwijzen van de nieuwe fractieleider als opvolger van de heer Melkert was een pracht voorbeeld: drie kandidaten, die zich presenteerden met eigen profiel en eigen prioriteiten. Ik heb voorafgaand aan de fractie-leiderverkieizng de drie kandidaten met hun stap en instelling gecomplimenteerd. De procedure blijkt ook door de kiezer begrepen. De PvdA scoorde uitstekend bij de Tweede Kamer verkiezingen en de verkiezing van Provinciale Staten bevestigde de bestendigheid van de TK-uitslag ….

 

Verkiezingen in de sport dienen een identiek verloop te heb­ben: Meerdere kandidaten die de competitie met elkaar aangaan. In de poli­tiek vinden we daar mooie voorbeelden van. In eigen land en erbuiten. Op basis van (par­tij-)program­ma's en per­soonlijkheid proberen kandidaten de kiezers duidelijk te maken waarop juist op hen gestemd moet worden. Verkiezingen nopen iemand het beste van zichzelf te geven, te vertellen wat men wil bereiken en zich kwetsbaar op te stellen.

 

Er zijn mensen die in hun eerste gesprek zeggen 'Ik wil me kandidaat stellen, maar dan moeten jullie ervoor zorgen dat er geen tegenkandida­ten zijn'. Maatschappelijke organisaties die daarop ingaan, en dat is geen uitzondering, verdienen in mijn ogen de status 'democra­tisch bestuurd' niet. Ik mis al jarenlang het actief beleid om iets van echte verkiezingen te maken.

 

Goede voorbeelden van echte verkie­zingen zijn in de sport te schaars. Onder invloed van aller­lei facto­ren van cultu­re­le en structu­rele aard verliezen verkiezingen in de sport hun dynamisch karak­ter. Toch zijn er altijd in de directe omgeving goede voorbeelden te vinden:

-         De IOC Presidentsverkiezingen: Meer kandidaten; meer programma’s en de mogelijkheid om programma-suggesties te doen. Met uiteindelijk Dr. Rogge als winnaar (en in 2002 voor de tweede opeenvolgende keer door de uitgever van Sport Intern uitgeroepen tot sportpersoonlijkheid van het jaar. Voorwaar een duidelijke aanwijzing dat de door de IOC kandidaten gevolgde procedure een uiterst functionele is. 

-         Verkiezingen bij de Judo Bond Nederland, de bond waarvan ik ere-lid ben en de roeibond laten zien dat het wel degelijk mogelijk is uit meerdere kandidaten te kiezen.

-         Naar hartelust uitbreiden met good practice voorbeelden uit de bonden….

 

NOC*NSF moet hierbii het goede voorbeeld geven door een stimulerende werving van kandidaten ruim voor de verkiezingen. 

 

Het scheppen van optimale condities om maximaal doorstroomwinst te maken via het instrument der verkiezingen is geen vanzelfsprekendheid. Ook bij dit thema stel ik me derhalve voor dat een analyse wordt gemaakt  van kansen en bedreigingen, waarna objectiveerbare en haalbare doelen voor korte en middellange termijn worden geformuleerd evenals het ondersteuningsprogramma via welk de doelen bereikt kunnen worden. Deze doelen worden vervolgens door het NOC*NSF bestuur bediscussieerd en vastgesteld en in de ALV geagendeerd (Deze lijn kan worden gevolgd bij thema- en doelgroepen doorstroombeleid).


IIIB: Mijn zorgen over de periode na de Winterspelen van Salt Lake City.

Doorlopende lijn i.p.v. slagboom

 

(januari 2001: gespreksnotitie t.b.v. gesprek NOC*NSF bestuursdelegatie)

 

Vooraf

Mijn vorige gespreksnotitie grijpt voornamelijk terug op gebeurde zaken. Na ons constructief eerste gesprek heb ik nog een reactie naar Theo gestuurd over punten van aandacht n.a.v. het gesprek. Vervolgens heb ik dit stuk maximaal toekomstgericht geschreven. Toch ontkom ik er niet aan erop te wijzen dat recente publicaties waarin de NOC*NSF voorzitter geciteerd wordt over mij, mij pijnlijk hebben getroffen. Als de journalist hem goed heeft gequoot zou ik NOC*NSF en de Nederlandse sport bewust hebben willen beschadigen en zou ik pure onwaarheden hebben verteld.

Jullie moeten je kunnen voorstellen dat ik mijn life-time commitment met de sport op geheel andere wijze beleef.

Voor mij zijn drie punten van belang:

1.      Heeft NOC*NSF in 2001 gewerkt met door het IOC goedgekeurde statuten?

2.      Heeft het IOC drie pagina’s met aanwijzingen voor statutenwijziging gestuurd?

3.      Komt in de Algemene Ledenvergadering van NOC*NSF  op 16 mei 2002 statutenwijzigingen aan de orde?

Ik zie dat de geschiedenis zich herhaalt. Inmiddels ben ik sinds 1997 ’s werelds hoogst gegradueerde judoka en ere-lid van de IJF. 29 januari 2000 eerde de Kokushikan Universiteit van Tokio me met het ere-doctoraat. Bij die gelegenheid schreef de heer Park, President van de Internationale Judo Federatie in zijn voorwoord op mijn dissertatie dat

…. Anton Geesink has had a tremendous influence on the international sport of judo for over 40 years, as competitor, coach and teacher, EJU and IJF Board member and IOC member. Due to his independent and innovative ideas he serves the judo community with valuable and new ways based on tradition, but focussed on the future of our society. Sometimes he discovered that there will be no evolution without revolution. During those times he was able to enforce his ideas because he wrote documents to underline that his ideas were founded strongly over the course of many years……….

De heer Park spreekt hier over dezelfde ideeën waarvoor ik jaren tevoren opmerkingen moest slikken dat ik de judosport wilde beschadigen…...

Ik ben kritisch, vasthoudend en opereer vanuit een permanente vorm van ontevredenheid omdat ik door mijn betrokkenheid en enorm netwerk heel vaak zie en hoor dat iets beter kan. Logisch dat ik, waar ik een opdracht uit het IOC heb, die ik serieus oppak. Maar als de roerganger van NOC*NSF dat uitlegt als beschadiging van NOC*NSF en Nederlandse sport, voel ik mezelf beschadigd. Zeker omdat tot heden mijn stukken gericht aan het bestuur door hem van generlei aandacht werden voorzien. Teveel stukken werden, als ze al in de bestuursvergadering aan de orde kwamen ingebracht als ingekomen stuk en voor kennisgeving aangenomen, zonder dat er met de inhoud iets werd gedaan. Duidelijk wil ik aangeven dat ik in deze rol gedwongen ben. Het is een goed recht van de voorzitter geen tijd te nemen om met de IOC-vertegenwoordiger overleg te voeren of iets met diens voorstellen te doen. Het is mijn recht te pogen aandacht voor mijn voorstellen (vnl. m.b.t. Olympische Beweging) te krijgen. Ik doe dat altijd via dezelfde route: eerst intern dan extern.

Met het risico dat ik weer op iemands tenen trap door te stellen “Beter goed gejat dan slecht ontwikkeld”, wil ik andermaal het IOC ten voorbeeld stellen. In dit geval door aan te geven hoe het IOC, met daarin een duidelijk rol voor de voorzitter, bestuur en professionals, omgaat met het Evaluatie rapport dat ik als IOC Delegate maakte na afloop van de Olympische Spelen in Sydney.

 

De toekomst

 

In mijn beleidsnota “Liever een hengel dan een vis”, heb ik mijn zorgen geuit over cultuur en structuur in NOC*NSF. Ik wil dat nader uitwerken als aftrap naar het vervolggesprek op 16 januari a.s. van Ernst Faber, Hans Gerrits Jans, Frits Brink, Theo Fledderus en mij. De intenties die Theo Fledderus in zijn brief aan mij n.a.v. het vorig gesprek heeft uitgesproken, versterken de noodzaak tot deze verdere onderbouwing, omdat voor mij daarmee helder is dat de opgaande lijn in de relatie met de IOC-vertegenwoordiger in Nederland die is ingezet in de periode van interim-voorzitter van der Reijden terug is op het niveau van 1998. Let wel: mits het bestuur de door Theo geformuleerde voorstellen zou goedkeuren. Dat schiet dus niet op.

 

Ter illustratie:

 

* Het heeft na mijn eerste oproep daartoe precies 15 jaar geduurd voordat atleten bestuurlijke verantwoordelijkheid gaan krijgen in NOC*NSF. Dat is liefst 12 jaar nadat de atletencommissie is opgericht  (citaat uit toespraak Jan Loorbach tijdens 1st European seminar “On the position of the athlete” Amsterdam mei 2000: “On a rainy day almost 10 years ago I attented first elections for the Dutch Athletes Committee, which were held at the Ice rink in Alkmaar. The then chairman of the Dutch NOC, Mr. Huibregtsen and Mr. Anton Geesink had come to the conclusion that it was time to set up an own Athletes Committee”).

 

* Onder voorzitterschap van Ernst Faber heeft een onafhankelijke werkgroep in januari 1998 aan toenmalig voorzitter Wouter Huibregtsen een uitgewerkt voorstel gepresenteerd waarin de verhouding tussen NOC*NSF bestuur en de Nederlandse IOC-leden werd uitgewerkt. Kernpunten van dat voorstel, door de toenmalige voorzitter vlak voor zijn vertrek naar Nagano geaccordeerd, hebben grote overeenkomst met de door Theo voorgestelde aandachtspunten.

 

Ik leid daaruit af dat ontwikkelingen binnen NOC*NSF erg langzaam gaan en één der oorzaken daarvan is m.i. het gegeven dat binnen NOC*NSF te vaak bestuursbenoemingen op ad hoc basis plaats vinden. Dat leidt ertoe dat bestuurders komen en gaan en iedere keer weer moeten inwerken, het wiel uitvinden en dan vertrekken, terwijl de life-time sportbetrokkenheid en doorstroom van bestuurders onvoldoende aandacht wordt besteed.  Dit gebrek aan continuïteit wordt versterkt door de vele mutaties in de Papendal staf.

 

Ons vorig gesprek was van dien aard positief dat ik –naast de punten die ik in mijn reactie op Theo’s samenvatting heb aangegeven- durf aan te sturen op een sterk resultaatgerichte aanpak in de vorm van het voorstel van een “masterplan doorstroom Olympians” dat op korte termijn aantoonbaar resultaat heeft.

 

Toelichting:

 

NOC*NSF heeft in zijn (topsport)beleid duidelijk een slagboom ingebouwd. Die ligt rond de Spelen van 2004. Dat beeld wordt versterkt door de publicaties rond de klacht van de sportbonden over de toenemende macht van NOC*NSF en uitspraken gedaan tijdens het topsportdebat. Alles is erop gericht in SLC en Athene méér medailles dan ooit te halen. Alles moet daarvoor aan de kant. In ons vorig gesprek heb ik aangegeven de indruk te hebben dat er beleid wordt gevoerd waarmee maximaal tegemoet wordt gekomen aan het verlanglijstje van atleten en trainers, zonder daarbij verantwoordelijkheid voor de continuïteit van de totale (topsport) organisatie te dragen.

 

In de voorbereiding op SLC en Athene krijgt elke atleet die naar een exotisch plekje wil om daar te trainen of om zich zelf weer te ontdekken de kans daartoe (Albeda: “Na afloop van de Spelen mag geen enkele atleet oorzaak van falen zoeken in gebrek aan faciliteiten en ondersteuning”).

 

Wat na 2004 gebeurt met NOC*NSF is onduidelijk op een aantal punten zowel in termen van financiën als van bestuur, staf en organisatie.

 

-         Financieel: in financiële zin gaapt er na 2004 een enorme kloof tussen ambitie en realiteit bij topsport. Tal van sponsorcontracten lopen af.

-         Bestuurlijk: er zit een interim-bestuur dat voorwaardenscheppend de weg naar de toekomst moet plaveien. Als ik kijk naar de benoeming van de chef de mission en portefeuillehouder topsport, heeft dit bestuur niet gekozen voor het principe “van, voor en door de sporters”. Zelf ben ik er niet in geslaagd  de bonden bewust te maken van het belang dat artikel  5.3 uit de statuten moet,  waarbij ik graag het  verbod opgeheven zie dat bondsbestuurders ook bestuurder van NOC*NSF mogen zijn als bonden daar zelf voor kiezen. Gelukkig komt er in mei 2002 tijdens de ALV wel meer invloed voor de atleten en heeft het bestuur nadrukkelijk uitgesproken dat de bonden veel intensiever bij kandidaatstellingen voor NOC*NSF bestuur worden betrokken en gevraagd worden voordrachten te doen. Ook dat is winst.

-         Staf: Het team de mission wordt ontbonden in 2004.

-         Organisatie: NOC*NSF heeft nogal wat kracht naar zich toegetrokken van de bonden (centralistisch beleid gebaseerd op verdeel en heers strategie). Binnen NOC*NSF opereert het team de mission en de bestuurder met topsport als werkveld formeel onder verantwoordelijkheid van het gehele bestuur, maar feitelijk autonoom. Het gevaar van verdere segmentatie ligt daarmee op de loer.

 

Minimaal vier factoren wijzen erop dat de tijd rijp is om in het bestuur de zaak nog eens heel goed te evalueren en na te gaan waar de NOC*NSF werkwijze aanpassing behoeft:

-         Het einde van Olympische (Winter)spelen is een uitermate geschikt en natuurlijk moment van evaluatie (gekoppeld aan de evaluatie van de prestaties).

-         De kritiek uit de 144, genootschap van sportvrienden. Ik citeer: “Betreurenswaardig is dat voor de functie van chef de mission voor de Olympische Spelen van Athene 2004 door NOC*NSF niet een sporter of een sportster als Cees Vervoorn of Conny van Bentum is aangewezen, maar wel een vergadertijger als Peter Vogelzang, aan wiens competentie we overigens geen twijfel hebben. Jammer dat dit bestuur van NOC*NSF een traditie van de laatste Olympiades heeft doorbroken. De chef de mission hoort een oud-topsporter te zijn en niet een bureaumanager. Voor de naderende Olympische Winterspelen in Salt Lake City staat nog wel iemand aan het roer die zelf voor de medailles heeft gestreden. Wij wensen Leo Visser en zijn ploeg minimaal evenveel succes toe als Ard Schenk in Nagano 1998.”.

-         Als je atleten in alles tegemoet komt, biedt dit de organisatie slechts tijdelijk rust, maar niet permanent.

-         De brief van 20 november van de contactgroep Grote Bonden die op een groot aantal terreinen hun zorgen over de ontwikkelingen binnen NOC*NSF en de afstemming met de bonden uitspreken (Oorzaak no. 1 is volgens mij artikel 5.3 van de statuten).

 

Hoofdthema’s

 

T.a.v. het gesprek wil ik twee hoofdthema’s aan de orde stellen. Het zijn thema’s die door recente voorbeelden niet alleen voor mezelf belangrijk zijn, maar ook binnen NOC*NSF belangrijk worden nu ze op de agenda staan. Het zijn:

 

  1. De rol van de atleten en de ex-atleten (intensivering en doorstroom).
  2. De verhouding bonden - NOC*NSF (intensivering en doorstroom).

 

De tijd is er dus rijp voor, ook omdat onze visie op die thema’s niet (meer) echt controversioneel is. Alle betrokkenen willen de rol van atleten en bonden versterken. Vooruitgang dient m.i. dan zowel in de statuten als in verkiezingen tot uitdrukking te komen in een aanpak die verder uitgewerkt wordt. 

 

Doorstroom atleten en betrokkenheid bonden bij verkiezingen

 

In de periode rond de Olympische Spelen zie je een verhoging van het aantal atleten die hun carrière als actief sporter afsluiten.

 

In mijn eerdere beleidsplannen heb ik er altijd op aangedrongen dat het bestuur dat moment moet oppakken om extra inspanningen te doen om deze atleten te behouden voor de sport zodat ze hun morele verplichting hun kennis en ervaring – voor een groot deel opgebouwd met gemeenschapsgeld- over te dragen aan de nieuwe generatie sporters: het aanvaarden van bestuursverantwoordelijkheid is één van de mogelijkheden.

 

Ik benadruk overigens dat niet alleen atleten die overdrachts-verantwoordelijkheid hebben maar ook coaches en anderen in de directe omgeving van de atleten, die dankzij de uitzonderlijke prestaties van die atleten een hoog inkomen genieten in de sport en na afloop van de spelen het nog grotere geld nalopen, terwijl een groot deel van de atleten, opnieuw vanaf de nullijn moeten starten.

 

Ik benadruk ook dat die atleten en coaches door een actief NOC*NSF bestuur op die rol dienen te worden voorbereid (voorbeeld: het Duits voetbal is voorbeeldig in deze zin: de bondscoach weet doorgaans jaren tevoren dat hij genomineerd is voor die functie en krijgt aanloopfuncties; de manager van een der belangrijkste clubs –Bayern München- is een ex-topvoetballer die nu al aankondigde de huidige doelman –Kahn- voor te bereiden op het overnemen van zijn functie in 2006. Zoals ik hierboven vermeldde, ben ik er in de afgelopen jaren niet in geslaagd te bewerkstelligen dat chef de mission en portefeuillehouder topsport zijn gekozen uit de atleten c.q. Olympians. Ik heb er geen enkele invloed op kunnen uitoefenen. Sterker nog: ik ben er helemaal niet bij betrokken en kon alleen maar ja zeggen, wat ik helaas niet anders kon. Terwijl ik vind dat de olympische atleten het recht hebben op een bestuur en chef de mission met olympische ervaring. Die weten precies hoe het eraan toe gaat in de aanloop naar de spelen, in het Olympisch dorp en vooral tijdens de wedstrijden. De chef de mission is een aanvulling voor de coach, niet sport technisch,maar vooral op het mentale vlak. Ik ken voldoende voorbeelden van atleten, die enorm geïrriteerd raakten als iemand zonder olympische ervaring een of ander advies wilde geven.               .

 

Ik stel vast dat de rol van de atleten in het buitenland wordt versterkt:

-         Denk aan FIFA –zie brief FIFA voorzitter Blatter aan mij-,

-         denk aan voorbeelden als Beckenbauer, Rumenigge, Hoeness en

-         denk vooral aan het IOC voorbeeld -Olympian Rogge als voorzitter- die bij de vergadering van de IOC atleten commissie met gejuich werd ontvangen en verwelkomt werd met de woorden:”Geachte voorzitter, we zijn vereerd U als olympian in onze vergadering te mogen begroeten”.

 

Bovendien zie je in de Nederlandse sport media dat steeds meer ex sporters een plek krijgen bij de professionele verslaggevers, een ontwikkeling die ik van harte toejuich.

 

Voorstel Masterplan “Doorstroom”.

 

Met genoegen stel ik vast dat het NOC*NSF bestuur voornemens is aan de ALV voor te stellen de atleten een bestuurszetel toe te kennen en bovendien heeft aangegeven de bonden actief bij verkiezingen te betrekken.

  

Die uitgesproken intenties zie ik graag vertaald in concrete aanpak, gebaseerd op concrete doelen, die snel resultaat van die voornemens laten zien in de bestuurdersprofiel en bestuurssamenstelling i.c. versterking van de rol van atleten en bonden. Meteen na afloop van de Winterspelen is de tijd rijp en het moment aangebroken om daar actief beleid op te gaan voeren teneinde te voorkomen dat er in 2004 een slagboom is die blijkt dicht te gaan.

 

Voorbeeld

 

De samenstelling van het huidig interim bestuur biedt volop de kans ook voor de buitenwacht herkenbaar te accentueren dat nieuw beleid gevoerd wordt. Ik heb de vrijheid genomen wat namen te noemen van ex-olympische deelnemers (medaille winnaars) die voor het Nederlandse sportbestuurlijke onontbeerlijk zijn. Ik denk aan Peter Blangé, André Bolhuis, Ard Schenk, Erica Terpstra, Cees Vervoorn, Sjoukje Kosmaier-Dijkstra, Ada Kok, …Uiteraard mogen daarin ook niet de uitdrukkelijk door bonden voorgedragen kandidaten ontbreken.

 

Zo zou ik wel door kunnen gaan, maar dat laat ik liever over aan de instanties die alle know how van de sport herbergen: NOC*NSF, de Atletencommissie, de 144, Vereniging van oud olympische deelnemers en vanzelfsprekend de bonden. Deze kenniscentra van de Nederlandse sport moeten eindelijk actief betrokken worden (zowel als headhunter als opleider) bij het zoeken naar capabele ex atleten voor bijv. de samenstelling van het NOC*NSF-bestuur. Met zijn verschillende commissies biedt de NOC*NSF structuur een uitstekend leerbedrijf. Op die wijze moet het mogelijk zijn ad hoc benoemingen voor de belangrijke bestuurlijke posten vrijwel uit te sluiten omdat aankomend talent –in de sport zelf opgeleid en uit eigen ervaring alle facetten in die sport beleefd- popelt om het stokje over te nemen. De doorlopende lijn wordt daardoor sterk benadrukt en dat is een extra zekerheid voor de continuïteit en betrokkenheid.

 

Atleten hebben niet alleen recht op de know how van het Nederlandse sportverleden. Ze hebben ook opvolgingsrecht en –plicht op het terrein van het sportbestuurlijke. Sport heeft een duidelijk internationaal karakter. Het is recht en plicht van de Nederlandse koepel dat in het eigen beleid in te bouwen want het komt ook de Nederlandse sport zeer ten goede.

Er is  o.a. op het Europese en mondiaal sportbestuurlijk vlak een heleboel te doen om uit te drukken dat Nederland een echt sportland is.

 

Voorsprong olympians

 

Ook hier hebben Olympians een enorme voorsprong. Bestuurders met  een olympische achtergrond hoeven zich niet keer op keer voor te stellen tijdens belangrijke internationale vergaderingen. In de olympische atleten directory staat alles in geuren en kleuren vermeld. Aanwezige congresgangers zoeken uit zichzelf deze bestuurders/ex-atleten op en stellen zich aan hen voor. Het ijs is direct gebroken omdat zij niet eerst hun positie moeten legitimeren. Herinneringen en ervaringen worden uitgewisseld. Eenmaal een olympian, altijd een olympian.

 

Slot

 

Mijn voorstel is dat, aangestuurd door NOC*NSF, een masterplan “doorstroom” wordt samengesteld over dit onderwerp (en ik stel het op prijs als het bestuur de BAC Olympische thema’s en Fair Play hierover een advies laat uitbrengen) dat vervolgens met eerder genoemde partijen verder wordt uitgewerkt en uitgevoerd.

 

Daarbij heb ik nog twee andere thema’s:

 

 

Overbodig te stellen dat ik in mijn werk als IOC Delegate at the Olympic Games voor de zevende achtereenvolgende Olympische Spelen bijgestaan word door Martin Franken die jullie ook kennen als lid van de NOC*NSF Bestuursadviescommissie Olympische Idealen en Fair Play.

 

Ik stel er prijs op als we –analoog aan de Olympische Spelen in Sydney- in ons gesprek aandacht schenken aan het maken van concrete werkafspraken over onze wederzijdse activiteiten in Salt Lake City. In Sydney hebben de afspraken voortreffelijk gewerkt en daarin had ook Martin een functie.

 

Utrecht, 11 januari 2002

Anton J. Geesink

 


IIIC: Van atleet naar sportbestuurder

(2001 aangeboden aan NOC*NSF)

 

Het Brits Olympisch Comité heeft direct na afloop van de Olympische Spelen van afgelopen jaar in Sydney, vijf atleten die aan de Spelen deelnamen gekozen in hun NOC bestuur.

 

Daarmee schoten de Engelsen in de roos. Een sportbestuurder dient de afspiegeling te zijn van de actieve sporter, die de slogan heeft van "If you want to be a champion, you have to look like a champion". M.a.w.: "Ik durf en ga het duel aan, wat tevens inhoudt dat er een goede voorbereiding aan verbonden is". Helaas is deze slogan voor een groot deel van Nederland niet van toepassing. Een soortgelijk voorstel om de atleten die na de Olympische Spelen van Atlanta gingen stoppen in het NOC*NSF bestuurlijke ervaring op te laten doen is niet opgepakt. In Nederland is het gebruikelijk geworden dat een kandidaat gevraagd wil worden en enigste kandidaat wil zijn. Affiniteit met sport is geen vereiste en iedereen moet maar aannemen dat de kandidaat ook een goed sportbestuurder wordt.

 

Deze Nederlandse gewoonte zorgt er tevens voor dat maar weinig Nederlanders op internationale posities komen. Op een enkeling na zijn Nederlandse sportbestuurders niet gewend aan competitie en schuwen het duel. In ons land komt het zelden voor dat een benoemd sportbestuurder wordt weggestemd of hij moet het wel erg bont hebben gemaakt. Die sportbestuurder gaat pas op  als hij/zij er zelf genoeg van heeft. Internationaal kom je daar niet ver mee. Maar het kan ook anders en in mijn vorige column in "Judovisie" en in een brief aan alle bonden stelde ik het IOC en JBN ten voorbeeld en niet ten onrechte zoals in de afgelopen weken bleek.

 

In vergelijking met de Nederlandse situatie waren de bestuursverkiezingen tijdens de IOC sessie in Moskou een pracht voorbeeld van democratie en transparantie. Voor het hoofdbestuur waren er zes kandidaten, voor het voorzitterschap vijf en voor het vice-presidentschap één, maar ook voor deze ene kandidaat werd, zoals het hoort in een democratisch bestel, een geheime stemming gehouden.

 

Tijdens het IJF-congres  op 23 juli in München werd het hoofd van de IJF scheidsrechterscommissie gekozen. Er waren twee kandidaten. Beide kandidaten hebben een grote staat van dienst in het judo als wedstrijdjudoka, scheidsrechter en bestuurder en beiden hadden twee maanden tevoren hun beleidsplannen aan de leden/bonden gestuurd, die daarom in staat waren de plannen te bestuderen, hun keuze te bepalen. In de toekomst kunnen ze op gezette tijden het werk van de gekozene toetsen aan zijn beleidsplan en hem daarvoor prijzen of veroordelen.

 

Jan Snijders

 

Een prachtvoorbeeld van een bottom up sportloopbaan van atleet naar sportbestuurder is ook de pas in het EJU hoofdbestuur gekozen Jan Snijders, hoofd van de scheidsrechterscommissie van Europa, een eer die nog nooit een Nederlander te beurt is gevallen. Eerst een fantastische wedstrijdjudoka, toen trainer, waardoor hij de noodzakelijke betrokkenheid toonde. Daarna scheidsrechter in Nederland, toen Europees daarna mondiaal en nu hoofdbestuurder in de EJU. Dat is de ideale weg die een sportbestuurder moet afleggen om de belangen van de bonden en atleten op het hoogste niveau te vertegenwoordigen.

 

Atleten hebben een natuurlijke betrokkenheid bij de sport. Door je na afloop van je actieve carrière beschikbaar te stellen voor een bestuursfunctie, stel je de nieuwe generatie ook in staat te genieten van de sport. Je begint bijvoorbeeld bij je club, dan bij je district, dan nationaal dan internationaal. Dat tijdpad heb je nodig om geschoold te raken in het sportbestuurlijke. Het is de periode die gelijk staat aan je voorbereiding als actief sporter op een nationaal of internationaal toernooi of kampioenschap. Je omgeving, die je al kent als actief sporter, moet je nu leren kennen als bestuurder. Daarbij moet je geholpen worden door je bond, wat in het geval van Jan Snijders is gebeurd. Tijdens mijn bezoek aan de Kano Cup wedstrijden in januari in Tokio, informeerde de nieuwe EJU-President me en vroeg mijn advies. Dat deed hij ook bij de JBN voorzitter. Op die wijze wordt een kandidatuur gedragen voor die wordt gepresenteerd.

 

Peter Blangé

 

Jan Snijders heeft zich de afgelopen twintig jaar in Europa gemanifesteerd als een sportbestuurder van hoge klasse. Peter Blangé lijkt dezelfde weg te gaan als Jan Snijders. Peter Blangé, Olympian en zelfs Olympisch medaillewinnaar, is lid en nu ook voorzitter van de NOC*NSF atletencommissie, zit inmiddels in de Europese atletencommissie en is lid van de NOC*NSF Bestuursadviescommissie Olympische Idealen en Fair Play. Hij heeft  inmiddels zes jaar ervaring met sportbesturen. Dat is een prachtige basis die rechtvaardigt dat hij kandideert voor een plaats in het NOC*NSF bestuur. Ik hoop dan ook dat de Nederlandse Volleybal Bond hem als kandidaat of de atletencommissie. Wellicht kan ook de Bestuursadviescommissie Olympische Idealen en Fair Play dat.

 

Atleten worden sportbestuurder

 

Jan Snijders en Peter Blangé zouden met hun ervaring uitstekend als bestuurder kunnen functioneren in het werkveld topsport en als natuurlijke opvolgers van de huidige bestuurders gepositioneerd moeten worden omdat ze daarmee in staat worden gesteld te voldoen aan hun morele verplichting kennis en ervaring over te dragen. De bonden moeten stimuleren dat ze die gelegenheid krijgen. Aan brede bondssteun voor atleten ontbrak het in het verleden. Mensen als Ard Schenk zouden bij brede ondersteuning van bonden nationaal en internationaal niet meer weg te denken zijn.

 

Met Jacques Rogge heeft het IOC een voorzitter gekregen die dezelfde natuurlijke weg doorlopen en geleidelijk, maar snel, doorgestroomd is naar het hoogste sportambt  ter wereld. We mogen daarbij niet vergeten dat ook alle andere presidentskandidaten op een rijke sport(bestuurlijke)carrière bogen waarbij vier van vijf kandidaten, waaronder Rogge deelnamen aan de Olympische Spelen.

 

Een ander supervoorbeeld van bottom up doorstroom is de sportcarrière van Sergei Bubka. De ex-polsstokhoogspringer werd lid van de IOC-atletencommissie, voorzitter van de Europese atletencommissie en lid van het IOC. In juli werd hij in Moskou gekozen tot lid van het IOC Executive Board en is nu ook bestuurslid van de Internationale Atletiek Federatie.   

 

Dit alles in Nederland (nog) onmogelijk.

 

Anton J. Geesink

 


IIIC: PLEIDOOI VOOR DEMOCRATISCHE CONTROLE IN DE SPORT door Anton Geesink en Tom Kok

 

(Aan NOC*NSF bestuur aangeboden in 1996)

 

 

Een sportman weet wat het is om te winnen en te verliezen. Bij elke wedstrijd. 'It's all in the game'. Wij kennen dit in onze eigen sporten judo en American football. Wij kennen het ook bij het besturen van de sport. Deze laatste rol geeft ons zicht op de macht in de sport. En daarover hijsen wij de stormbal.

 

DE OLYMPISCHE GEDACHTE EN DEMOCRATIE

 

'Gelijke kansen voor iedereen' en 'uit­blin­ken' zijn tijdlo­ze kenmerken van de Olympische Bewe­ging.

 

Deze kenmerken van de Olympische Beweging nodigen uit tot competi­tie, nodigen uit tot het halen van het beste uit jezelf en je omgeving, open en controleerbaar door het publiek op de tribune. Het zijn ook tijd­loze kenmerken van een demo­cratie en van zijn maat­schappe­lijke organisa­ties. Of het nu politieke partijen of sportorganisaties zijn.

 

Daarom is het zeer interessant enkele kenmerkende ele­menten van zowel poli­tieke partijen als sportorganisaties naast elkaar te zetten. We doen dat aan de hand van de volgende items:

-           de Algemene Ledenvergadering

-           bottom up structuur

-           evenredige vertegenwoordiging

-           verkiezingen

-           de rol van informatie

-           de rol van de vrijwilli­gers

 

DE ALGEMENE LEDENVERGADERING

 

In vele bonden neemt de belangstelling voor ledenvergaderingen af. Er komen steeds minder leden, het kan de leden niet veel schelen. En als een sporter flegmatiek wordt over verliezen is er reden tot alarm. Waarom gebruikt de sporter zijn invloed niet?

 

Het aantal ledenvergaderingen per jaar is laag, vaak maar twee keer. Daardoor is de agenda te vol en is er geen tijd voor discussie. Bovendien is de agenda vaak voorgekookt. Afwij­king van een voor­stel kan vaak niet, schetsen de bestuurders, of de bond wordt geschaad. Verder komen er steeds meer stich­tin­gen naast de vereniging. De vereniging is democra­tisch georga­ni­seerd, die stichtingen zijn dat niet. De ledenvergade­ring als belang­rijkst orgaan wordt op deze manier wegge­structu­reerd.

 

BOTTOM UP STRUCTUUR

 

Kenmerkend voor democratische organisaties is de bottom up structuur.

 

Bij sporters is een bottom up opbouw van nature duidelijk waarneembaar: Een sporter poogt uit te blinken en zijn eigen grenzen te verleggen op achtereenvolgens locaal, regio­naal, nationaal continentaal en mondiaal niveau.

 

Ook in de politiek is de bottom up structuur duidelijk waar­neembaar. Leden die hun waarde in de regio bewijzen stromen

door tot in de top.

 

In sportbesturen is dat veel minder vanzelfsprekend dan in de politiek. Vaak zie je in de sport dat doorstroom van lager kader op een bepaald niveau stokt, terwijl net bij deze mensen de erva­ring met demo­cra­tisch georgani­seerde, open structu­ren, en de daarmee samen­hangende dienend karakter, verankerd is.

 

EVENREDIGE VERTEGENWOORDIGING

 

Een bestuur dient de achterban te representeren. Of dat nu een  politieke partij, een sportorganisatie of een andere vereni­ging betreft. De samenstel­ling dient dan ook representatief te zijn voor die achterban. Ondervertegenwoor­diging van be­paalde maat­schappe­lijke groepe­rin­gen in besluit­vormende orga­nen dient te kunnen reke­nen op positieve actie. Neem bijvoor­beeld de positie van de vrouw in de sport.

 

In het IOC wordt veel aandacht besteed aan de positie van de vrouw. In de negentiger jaren staat de rol van de vrouw in de educatieve instrumen­ten van het IOC wereldwijd cen­traal.

 

Op 18 juli 1996 werd het Olympic Charter verrijkt met een toevoeging m.b.t. de rol van het IOC:

-           ... 'Strongly encourages by appropriate means the promo­ti­on of women in sport at all levels and in all structu­res, particularly in the executive bodies of national and international sports organizations with a view to the strict application of the principle of equality of men and women'.

 

Het IOC verankerde op die wijze haar streven en geeft in het eigen benoemingsbeleid het voorbeeld.

 

In de Nederlandse sportbesturen, met de totale bevolking als doelgroep, is nog veel werk aan de winkel op dit gebied. Zeker waar het de vertegenwoordi­ging van vrouwen in bestuurlijke en kaderfunc­ties betreft. Bijna 40% (peiling 1994) van het aantal geor­ga­niseerde spor­ters is vrouw. Het per­cen­tage vrouwe­lijke bestuurders in sportorganisa­ties steekt daar zeer schril tegen af: iets meer dan 10%.

 

Nog schriller het aantal vrouwelijke voorzitters (4%) en penningmeesters (4%) bij hoofdbesturen. Als secretarissen schijnen vrouwen iets beter gepositioneerd met 20%.

 

De functieverdeling op bondsbureaus is evenwichtig:

44% van het aantal professionals is vrouw. Als het echter om leidinggevenden gaat, valt dit percentage terug naar 20%.

 

In november 1996 presenteerde IOC lid Anita Defrantz (vice-wereldkampioen roeien 1978 en brons tijdens Olympi­sche Spelen van 1976) het rapport van de IOC werkgroep 'Vrouw en Sport' waarvan ze voorzitter is. In de appendix waarin de vrouwelijke bestuurders van door het IOC erkende organisaties (w.o. NOC's, Inter­nati­ona­le Sport Fede­raties) zijn opgesomd, komt welge­teld één naam van een Neder­landse vrouw met internationa­le porte­feuille voor!

 

 

VERKIEZINGEN

 

Verkiezingen zijn het cement van een democratie en dus ook van sport­besturen. Aan de dynamiek waarmee verkiezin­gen worden gehouden kun je afmeten in hoeverre een organisatie erin geslaagd is daadwerkelijk inhoud aan de democratische princi­pes te geven.

 

Een atleet en ook politieke vertegenwoordigers zijn gewend aan 'Win­nen' en 'verliezen'. Hij of zij gaat de competitie aan en wint of verliest publiekelijk.

 

Verkiezingen in de sport dienen een identiek verloop te heb­ben: Meerdere kandidaten die de competitie met elkaar aangaan. In de poli­tiek vinden we daar mooie voorbeelden van. In eigen land en erbuiten. Op basis van (par­tij) program­ma's en per­soonlijkheid proberen kandidaten de kiezers duidelijk te maken waarop juist op hen gestemd moet worden. Verkiezingen nopen iemand het beste van zichzelf te geven, te vertellen wat men wil bereiken en zich kwetsbaar op te stellen.

 

Er zijn mensen die in hun eerste gesprek zeggen 'Ik wil me kandidaat stellen, maar dan moeten jullie ervoor zorgen dat er geen tegenkandida­ten zijn'. Maatschappelijke organisaties die daarop ingaan, en dat is geen uitzondering, verdienen in onze ogen de status 'democra­tisch bestuurd' niet.

 

Goede voorbeelden van echte verkie­zingen zijn in de sport te schaars. Onder invloed van aller­lei facto­ren van cultu­re­le en structu­rele aard verliezen verkiezingen hun dynamisch karak­ter.

 

DE ROL VAN INFORMATIE

 

In een soci­aal-maatschap­pe­lijke orga­nisatie is het van belang dat de verantwoor­ding voor het beleid ligt bij hen die publie­kelijk ver­antwoor­ding moeten afleggen: de bestuur­ders. De verant­woor­delijk­heid die bestuur­ders dragen heeft derhalve per definitie een 'tijdelijk' (benoe­mings­duur) karak­ter. De ver­ant­woor­de­lijkheid voor de uitvoe­ring kan liggen bij een be­stuurs­ap­paraat (het 'bure­au') dat op zijn beurt weer zoveel mogelijk info terug­sluist naar de beleidsver­ant­woorde­lijken.

 

Als bestuurders zich uit tijdgebrek op afstand plaatsen en toestaan dat ze onvol­doende worden geïnfor­meerd duidt de historie van sociaal-maatschappe­lijke organisaties op een valkuil: Er ontstaat dan een infor­matie-monopo­lie bij het bu­reau; de professi­onals worden daar­mee ook steeds meer beleids­bepa­lend.

 

We moeten dan ook zeer alert zijn op derge­lijke val­kuilen van het demo­cratisch bestel. Zeker omdat tot heden ook be­stuurs­ver­kie­zingen in de sport niet zijn wat we ons daaron­der voor­stellen en aan ledenvergaderingen weinig echte keuzes worden gelaten.

 

DE ROL VAN DE VRIJWILLI­GERS

 

De Elfstedentocht was het grootste nationaal media-spektakel van de afgelopen tien jaar. Naast de 16.000 deelnemers op de schaats volgden ruim tien miljoen Nederlanders de tocht der tochten op de voet. Ter plekke of aan de beeldbuis. Een van de meest bepa­lende succesfac­toren was volgens ons het 'Sport voor en door de Sporters'-principe. Het plezier in de sport, hoe bizar deze opmerking bij het zien van sommige beelden ook moge klinken, stond cen­traal. Bij sporters en publiek. Het was sport puur; volle­dig georga­ni­seerd door vrijwilli­gers, niet gedo­mineerd door de commercie.

 

Vrijwilligers vormen de kurk waarop zowel de politiek als de sport drijft. Dat geldt voor elk niveau van de functie/taak. De toegevoegde waarde van de professional is alleen acceptabel als een vrij­williger die niet kan bieden.

 

Het maximaal benutten van hun kracht op elk niveau is niet alleen een vorm van respect voor het vele deskundig en belan­geloos werk dat de 750.­000 vrijwilligers in de sport uitvoe­ren, maar ook een vorm van kostenbesparing.

 

Zowel tijdens de GAISF Assemblé (Vergadering Internationale Sportbonden) als tijdens de EOC-vergadering (Vergadering Europese NOC's) liet de IOC-presi­dent weten erg blij te zijn met het gegeven dat door het IOC tot het jaar 2008 con­tracten zijn afgesloten waarmee miljarden USDollar zijn ge­moeid.

 

Trots was hij op het feit dat de con­tracten tot stand waren gekomen na lange en moeizame onderhan­delingen die met de contractan­ten werden gevoerd door vrijwil­ligers in de sport, die werken tegen nul-tarief.

 

Van deze inkomsten kan derhalve 94% worden doorgeleid aan NOC's, Inter­natio­na­le Federa­ties, Olympic Solidarity, de organisatie van Olym­pi­sche Spelen.

 

IOC-lid Dick Pound (2x Olympisch finalist zwemmen in 1960; goud zilver brons tijdens Commonwealth Games in 1962), verant­woorde­lijk voor de marketing porte­feuille van het IOC merkt daar­naast op dat alle IOC spon­sor­con­trac­ten aan de NOC's de ruimte en de kans bieden deze partnerrelatie met de Olympische Beweging voor eigen profit op nationaal niveau verder uit te werken.

 

IOC-lid Dick Pound: "Some NOC's have effectively managed to double and even triple the contributions of the TOP spon­sors by developing additional value-added local programmes with the regional offices of the sponsors".

 

DE SPORTMAN WEER AAN DE MACHT

 

Hoe professioneler het bestuur en hoe sterker de invloed van professionals, des te hoger de noodzaak van demo­cratische controle. Die controle loopt via de leden­verga­dering en via de procedures van verkiezingen. Om die vergade­ring van de spor­ters zelf weer nieuw leven in te blazen loopt de weg overigens niet via de gezelligheid. Koffie met koek vooraf en een bor­rel na afloop lokken niet meer mensen naar de vergadering maar naar die borrels. De weg naar een betere democratische contro­le loopt via invloed. De sporter moet invloed heb­ben. Daarvoor hebben we zes aanbevelingen:

 

Aanbeveling 1: Vergaderingen met de sporters op elk niveau.

            Nu zijn de sporters welkom op de ledenvergadering van de club. Daarboven vergaderen de bestuurders met elkaar op landelijk niveau. Wij pleiten voor een landelijke verga­dering waar alle leden van sportclubs binnen een bond welkom zijn en stemrecht hebben. Het zijn massale, demo­cratische dagen, waarop de grote lijnen de in­stemming rechtstreeks van de sporters krijgen.

 

Aanbeveling 2: Rechtstreekse verkiezingen.

            Zoals een clubbestuurder rechtstreeks door de leden wordt gekozen, zo moet dat ook op de hogere niveau's. Ieder clublid kan zich in dit model kandideren door het instu­ren van een simpel formulier. Alle clubleden krijgen een boekje met de kandidaten met foto en hun schriftelijke toelichting. Met een alweer simpel stembiljet kan elk lid stemmen. De optelsom van de stembiljetten is de uitslag.

 

Aanbeveling 3: Geen bestuursfuncties garande­ren.

            Besturen willen efficiënt zijn en invloed hebben. Daarom wordt vaak gekeken naar nationaal bekende personen die zich qua management bewezen hebben. Niks mis mee. Maar die mensen willen nogal eens alleen kandidaat zijn als er geen tegenkan­didaten zijn. En dat zit fout. Sporters weten te winnen of te verliezen, ook in het bestuur. Het is niet leuk om gevraagd te worden en het dan niet te halen. Het doet zeer, maar zeker in de sport hoort het erbij. Een bestuur kan wel een kandidaat aanbe­velen, maar de eerste verantwoordelijkheid is dat de vergade­ring een keuze wordt voorgelegd. Het is de verantwoor­delijkheid van het bestuur ervoor te zorgen dat er iets te kiezen valt.

 

Aanbeveling 4: Onafhankelijke voorzitter voor de leden­vergade­ring.

            Een onafhankelijke voorzitter die wordt gekozen door de verga­dering zelf. Hij of zij zorgt voor een evenwichtig ver­loop van de vergadering. Het bestuur verdedigt vaak plannen. De leden in de vergadering moeten een garantie hebben op een faire kans om hun mening te uiten. Een onafhankelijke voorzit­ter maakt de kans op procedurele manipulatie ook kleiner.

 

Aanbeveling 5: Ledenvergadering-commissies.

            Een commissie van de leden die het bestuur controleert bestaat in de meeste bonden al in de vorm van de kascom­missie. Die wordt benoemd door de ledenvergadering en rapporteert daaraan. Prima democratische controle. Naar dat model zou een bond meerdere commissies kunnen instel­len. Zoals een besluitvor­mingscommissie. Deze commissie geeft ter vergadering uitleg van de statuten. Het oordeel is bindend.

 

Aanbeveling 6: Positieve discriminatie waar nodig.

            De bestuurssamenstelling dient een weerspiegeling van de ach­terban te zijn. Vrouwen hebben op besluitvormende posi­ties en in hoofdbesturen grote achterstand. Ook stromen te weinig sportbestuurders door.

 

SLOT

 

Durven te kandideren. Durven te verliezen. Durven jezelf controleerbaar te maken. Durven de invloed te laten aan diege­nen die het toekomt. Wij pleiten voor dit soort moed in het besturen van de sport. En bevelen deze discussie aan voor alle sportorganisaties.

 

 

Anton Geesink           is lid van het Internatio­naal Olym­pisch Comité en bestuurslid van NOC*NSF.

 

Tom Kok                    is voorzitter van het hoofdbestuur van D'66.

 

 

 


 

TERUG