ENKELE EERSTE NOTITIES

 

Masterplan doorstroom / democratisering in de sport

 

 

Het is al weer ruim een jaar geleden dat ik ben gevraagd  enkele gedachten op papier te zetten over het masterplan doorstroom (waarvoor binnenkort eerste voorstellen van de zijde van de afdeling topsport van NOC*NSF te verwachten zijn) en over het grondbeginsel dat besturen (en andere organen) binnen sportorganisaties op een democratische manier moeten worden gekozen en vervolgens op een democratische manier moeten functioneren

 

Voorop dit: ik vind het moeilijk om geen onderscheid te maken tussen het masterplan doorstroom en de democratisering.

 

Masterplan doorstroom

 

Het masterplan doorstroom zou betrekking moeten hebben op het stimuleren van:

 

a.       sporters en oud-sporters (zowel top- als breedtesporters, zowel jeugd als ouderen) bestuurlijke en aanverwante verantwoordelijkheden te dragen en zich daarvoor te kandideren; en

b.       verenigingen, bonden en NOC*NSF zelf om beleid te ontwikkelen en uit te voeren dat het mogelijk maakt voor sporters en oud-sporters die bestuurlijke en aanverwante verantwoordelijkheden te dragen en zich daarvoor te kandideren.

 

Bij bestuurlijke en aanverwante verantwoordelijkheden moet ook worden gedacht aan het actief participeren in commissies, in organisatiecomités, in de begeleiding van jeugdige sporters, in scheidsrechterlijke zin en wat dies meer zij.

 

Jongeren vanaf een jaar of 14 moet worden geleerd verantwoordelijkheden te dragen. Dit kan geschieden door hen te stimuleren pupillen te begeleiden, als scheidsrechter op te treden, toernooien te organiseren, in jeugdcommissies plaats te nemen, clubkranten te maken, bar- en kantinediensten te draaien en dergelijke. In een aantal takken van sport gebeurt dat al op grote schaal, in vele takken van sport echter in onvoldoende mate.

 

Maar ook ouderen (zowel actieve als niet meer actieve top- en breedtesporters, maar ook ouders van jongere sportbeoefenaars) moeten tot het dragen van dergelijke verantwoordelijkheden worden geprikkeld.

 

Iedere vereniging, iedere bond en ook NOC*NSF moeten op dit gebied beleid ontwikkelen en ook actief dit beleid uitvoeren.

 

Democratisering / vacaturebeleid

 

Het plan democratisering in de sport gaat verder dan het masterplan doorstroom. Bij democratisering in de sport moet mijns inziens gedacht worden aan het doorbreken van de coöptatiecultuur. Veelal zoeken commissies, besturen en dergelijke organen naar nieuwe leden en worden deze leden gevraagd zitting te nemen zonder dat daar een democratische vorm van kandidaatstelling en verkiezing aan voorafgaat.

 

Dit heeft een geschiedenis. Veel besturen hebben grote moeite om opvolgers te vinden en zijn al lang blij als het hen is gelukt een nieuw bestuurslid te interesseren. Veel besturen letten ook vaak op continuïteit van het bestuur en de sfeer in het bestuur. Men zoekt graag een nieuw bestuurslid dat in het zittende bestuur past, bij voorbeeld qua sfeer of qua deskundigheid. Men is bang dat de continuïteit en/of de sfeer in gevaar komt bij het verkiezen van een bestuurslid dat niet door het bestuur zelf wordt voorgedragen. Het door het zittende bestuur beoogde nieuwe bestuurslid wordt dan (veelal als enige kandidaat) aan de algemene ledenvergadering voorgesteld en vrijwel steeds zonder hoofdelijke stemming gekozen.

 

Hierdoor ontstaat stilzwijgend een cultuur waarin wordt verzuimd de aanstaande vacature ruimschoots van te voren bekend te maken en alle leden in de gelegenheid te stellen zich kandidaat te stellen of zich kandidaat te laten stellen. Daarbij worden in formele zin de statuten veelal niet geschonden, maar wordt wel het grondbeginsel van de democratie aangetast.

 

Wat bepalen doorgaans statuten over de benoeming van nieuwe bestuursleden ? Ik laat hieronder een gebruikelijk tekst gedeelte volgen:

 

4.       De benoeming van bestuursleden geschiedt uit één of meer bindende voordrachten, behoudens het bepaalde in lid 5 van dit artikel.

          Tot het opmaken van zulk een voordracht zijn bevoegd zowel het bestuur als ten minste drie leden gezamenlijk.

          De voordracht van het bestuur wordt bij de oproeping voor de vergadering meegedeeld.

          Een voordracht door drie of meer leden moet vóór de aanvang van de vergadering schriftelijk bij het bestuur worden ingediend.

5.       Aan elke voordracht kan het bindend karakter worden ontnomen door een met ten minste twee/derde van de uitgebrachte stemmen genomen besluit van de algemene vergadering, genomen in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden aanwezig of vertegenwoordigd is.

6.       Is geen voordracht opgemaakt, of besluit de algemene vergadering overeenkomstig het voorgaande lid de opgemaakte voordrachten het bindend karakter te ontnemen, dan is de algemene vergadering vrij in de keus.

7.       Indien er meer dan één bindende voordracht is, geschiedt de benoeming uit die voordrachten.

 

Uit het bovenstaande volgt dat veelal sprake is van een bindende voordracht. De reden daarvoor is dat het in het algemeen onwenselijk wordt geacht dat tijdens de vergadering personen zich plotseling kandidaat stellen, waarover de afwezigen niet kunnen worden geïnformeerd. Wel is van belang dat uit de oproeping voor de vergadering duidelijk blijkt dat tegenkandidaten (ook bindend) kunnen worden voorgedragen en dat die voordracht bij voorbeeld één week voorafgaand aan de vergadering bij het bestuur binnen moeten zijn, vergezeld van een bereidverklaring en wellicht een CV van de kandidaat te stellen persoon. Vervolgens is dan van belang dat de leden ruimschoots voorafgaand aan de vergadering van de tegenkandidatuur op de hoogte worden gesteld opdat zij kunnen besluiten bij de vergadering aanwezig te zijn dan wel een schriftelijke volmacht te geven aan een ander lid. De statuten van vrijwel elke sportvereniging maken een dergelijke schriftelijke volmacht mogelijk.

 

In beginsel zou het bekend maken van de tegenkandidatuur (net zoals het bij de oproeping voor de vergadering bekend maken van de door het bestuur zelf voorgedragen kandidaten) schriftelijk moeten gebeuren, bij voorbeeld via het clubblad. Maar: omdat tegenwoordig vrijwel iedereen toegang heeft tot internet en veel sportverenigingen beschikken over een eigen website, is het ook mogelijk die informatie op de site te zetten. Daarnaast: vrijwel iedereen beschikt tegenwoordig over een emailadres: de informatie kan ook via email voorafgaand aan de vergadering worden verspreid.

 

Van belang is ook dat elke vereniging, elk bestuur en elke commissie een rooster van aftreden kent en dat die roosters binnen de vereniging steeds bekend zijn, zodat iedereen weet wanneer een bestuurs- of een commissielid aan aftreden toe is

 

 

 

 

 

Governance

 

Het is van groot belang dat organisaties op een verantwoorde wijze worden bestuurd. Dat betekent dat een bestuur steeds in de gelegenheid moet zijn (één keer per jaar is ieder bestuur daartoe verplicht) verantwoording af te leggen aan de algemene vergadering.

 

De wet vereist wat betreft verenigingen het volgende, waarbij ik een tekst noem die vaak in statuten wordt gebruikt:

 

2.       Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de vereniging en van alles betreffende de werkzaamheden van de vereniging, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde haar rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.

3.       Het bestuur brengt op een algemene vergadering binnen zes maanden na afloop van het verenigingsjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de algemene vergadering, zijn jaarverslag uit over de gang van zaken in de vereniging en over het gevoerde beleid en legt een balans en een staat van baten en lasten, met toelichting, ter goedkeuring aan de algemene vergadering over.

          Deze stukken worden ondertekend door het bestuur.

          Na verloop van de termijn kan ieder lid van de gezamenlijke bestuurders in rechte vorderen dat zij deze verplichtingen nakomen.

 

Deze tekst is op een vergelijkbare wijze toepasbaar op andere rechtspersonen (zoals  BV’s, NV”s, coöperaties en stichtingen).

 

Bij de meeste verenigingen wordt het toezicht op het bestuur uitgeoefend door – en legt het bestuur verantwoording af aan - de algemene vergadering. Omdat bij grote verenigingen het om praktische redenen niet mogelijk is dat ieder lid inzage in de boeken krijgt, vereist de wet het bestaan van een kascommissie die de boeken en bescheiden voorafgaand aan de algemene vergadering controleert en tijdens de algemene vergadering haar verslag uitbrengt. Dit is alleen dan anders als de boeken worden gecontroleerd door een externe deskundige, zoals een accountant. Overigens: ook indien een vereniging een dergelijke externe controleur kent, handhaven veel verenigingen toch de kascommissie, die dan echter niet een controlerende, maar een adviserende taak heeft en daarom vaak “financiële commissie”wordt genoemd.

 

Ingewikkelder wordt het als een rechtspersoon meerdere organen kent.  Bij grote vereniging bestaat vaak een directie, terwijl bij (grotere) NV’s of BV’s vaak een Raad van Commissarissen fungeert. Dan wordt het van groot belang de onderlinge verdeling van taken en bevoegdheden goed af te bakenen. Het is bijvoorbeeld met een vereniging die zowel een bestuur als ene directie kent, aanbevelenswaardig om in een directiereglement de taken en de bevoegdheden (lees: “het mandaat”) van de directie goed te formuleren. Ook wordt daarin de informatieplicht van de directie naar het bestuur (dat weer verantwoording moet afleggen aan de algemene vergadering) geregeld. Zo zal bij voorbeeld de directie verplicht worden elkaar kwartaal een rapportage uit te brengen over de financiën en over het gevoerde beleid en de verrichte werkzaamheden. Daarnaast zal een directie verplicht zijn tijdig meerjarenplannen en meerjarenbegrotingen voor te bereiden (ter besluitvorming door het bestuur en ter accordering door de algemene vergadering) en op die meerjarenplannen casu quo meerjarenbegrotingen geënte jaaractiviteitenplannen en jaarbegrotingen.

 

Maar: ook binnen het bestuur dienen goede afspraken te bestaan over de onderlinge taakverdeling en het mandaat dat bestuursleden hebben.Bij een organisatie die naast een bestuur ook een directie met goed omschreven taken en bevoegdheden kent, moet het bestuur zich wat betreft zijn eigen (statutaire) bevoegdheden terughoudend opstellen, om geen conflict met de bevoegdheden van de directie te creëren. Bij grote organisaties betekent dat in de praktijk veelal dat het bestuur een andere rol krijgt: meer de rol van klankbord voor de directie en toezichthouder op de directie met wel de verantwoordingsplicht jegens de algemene vergadering. Immers: tussen de directie en de algemene vergadering bestaat geen formele relatie De directie legt (op basis van een directiereglement) verantwoording af het bestuur, het bestuur legt (op basis van de statuten) verantwoording af aan de alkgemene vergadering..

 

Ook de individuele taken en bevoegdheden van bestuursleden moeten goed worden geformuleerd. Als een organisatie een directie met gemandateerde bevoegdheden kent, moeten bestuursleden zich realiseren dat het gebruikmaken van statutaire bevoegdheden (bij voorbeeld het formeel juridisch vertegenwoordigen van de vereniging bij het aangaan van overeenkomsten maar ook het feitelijk vertegenwoordigen van de vereniging als woordvoerder) in strijd kan komen met de aan de directie opgedragen taken en gemandateerde bevoegdheden. Bestuursleden zullen zich dan terughoudend moeten opstellen en de statutaire bevoegdheden alleen in goed overleg met de directie gebruiken. Dat geldt voor alle bestuursleden, dus ook voor een voorzitter.

 

Dit alles is ook nodig om te voorkomen dat namens een rechtspersoon verplichtingen worden aangegaan, waarvan niet duidelijk vaststaat of de rechtspersoon die verplichtingen kan nakomen. Een goed bestuur en een goede directie waaraan bevoegdheden zijn gemandateerd zullen steeds moeten werken binnen een door de algemene vergadering goedgekeurde begroting en binnen een door de algemene vergadering goedgekeurd meerjarenbeleid en jaaractiviteitenplan. Elke keer als een verplichting wordt aangegaan, moet worden aangegaan of die verplichting past binnen de begroting en het beleid en af er voldoende dekking is. Bij het doen van voorstellen door medewerkers aan de directie, door de directie aan het bestuur en door het bestuur aan de algemene vergadering, moet dit steeds de leidraad zijn. Helaas zijn er te veel voorbeelden waarin dit grondbeginsel werd verlaten. Te denken valt aan de failliet gegane Stichting Wereldruiterspelen van enkele jaren geleden, de Gay Games (waar overigens het ebstuur zich wel steeds liet bijstaan door externe deskundigheden, waardoor het bestuur kon bewijzen zijn taken goed te hebben vervuld) en bij menige BVO (Betaald Voetbal Organisatie).

 

Bij grote NV’s en BV”s zit de zaak formeel iets anders in elkaar. Daar vormt de directie het bestuur en staat er tussen het bestuur en de algemene vergadering van aandeelhouders een Raad van Commissarissen. Maar dit is alleen een formeel onderscheid: de hierboven beschreven verplichtingen gelden mutatis mutandis ook voor die organen.

 

 

 

 

  Terug