|
|
LJN: AW3877, Rechtbank
Rotterdam,
228974 / HA ZA 04-3353
|
Printbare versie
|

|
Datum uitspraak:
|
26-04-2006
|
|
Datum publicatie:
|
26-04-2006
|
|
Rechtsgebied:
|
Civiel overig
|
|
Soort procedure:
|
Eerste aanleg
meervoudig
|
|
Inhoudsindicatie:
|
Onrechtmatige
daad. Dienen de uitlatingen van gedaagde dat eiser de sport
(bewust) schade heeft toegebracht als beledigend en/of onnodig
grievend te worden gekwalificeerd?
|
|
Uitspraak
R E C H T B A N K R O T T E
R D A M
sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 228974 / HA ZA 04-3353
Uitspraak: 26 april 2006
VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
procureur mr. J. Kneppelhout,
advocaat mr. G.J. Kemper te Amsterdam,
- tegen -
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
procureur mr. H.E. Schweers,
advocaat mr. J.J. Allen te Amsterdam.
Partijen worden hierna aangeduid als
[eiser] respectievelijk [gedaagde].
1. Het verloop van het geding
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende
stukken:
- dagvaarding d.d. 26 november 2004 en de door
[eiser] d.d. 8 december 2004 overgelegde producties;
- conclusie van antwoord, met producties;
- conclusie van repliek, met producties;
- conclusie van dupliek, met producties;
- de bij gelegenheid van de pleidooien genomen
akte met productie aan de zijde van [gedaagde] en door partijen
overgelegde pleitnotities.
2. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan
wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in
zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat
tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:
2.1 [Eiser] heeft in de loop van de jaren 50
en 60 nationale en vervolgens internationale bekendheid verworven als
judoka. Zijn voor het publiek meest aansprekende prestatie is het behalen
van de gouden medaille in de open klasse judo geweest bij de Olympische
Spelen in Tokio in 1964. Vanaf 1987 is [eiser] lid van het Internationaal
Olympisch Comitι (verder: het IOC) en als zodanig lid van het bestuur van
het NOC*NSF, de koepelorganisatie voor sport in Nederland.
2.2 [Gedaagde] is van 2 november 1999 tot 18
november 2003 bestuurslid en voorzitter van het bestuur van het NOC*NSF
geweest.
2.3 Op 2 januari 2002 is er in het Algemeen
Dagblad een artikel verschenen, waarin [gedaagde] wordt geciteerd. In dit
artikel staat voor zover hier van belang het volgende vermeld:
(
) De oud-judoka zorgde in 2001 voor veel
ophef door NOC*NSF een illegale organisatie te noemen, omdat de
sportkoepel zich niet aan de reglementen van IOC zou houden. [Gedaagde]
stelt dat [eiser] NOC*NSF en de Nederlandse sport bewust heeft willen
beschadigen. Hij heeft pure onwaarheden verteld. Wij behoren juist tot
de weinige leden van het IOC waarbij alles wel in orde is. (
).
2.4 Op 15 mei 2002 is er in het Algemeen Dagblad
een artikel verschenen, waarin [gedaagde] wordt geciteerd. In dit artikel
staat voor zover hier van belang het volgende vermeld:
(
) Hij heeft laster verspreid over wat
wij met ons geld doen, zei een woedende [gedaagde] gisteravond. Hij
staat niet alleen te pissen over zijn eigen schoenen, maar ook over de
onze, zei [gedaagde].
(
).
2.5 Op 15 mei 2002 is er in het Parool een
artikel verschenen, waarin [gedaagde] wordt geciteerd. In dit artikel
staat voor zover hier van belang het volgende vermeld:
(...) Hij roept dat hij goed wil doen voor de
sport, maar er is niemand die de sport meer beschadigt dan [eiser].
Kennelijk bevredigt dat hem.
(
).
2.6 Op 12 juni 2002 heeft er onder leiding van
dhr. [X] een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en [gedaagde]. Van dit
gesprek is door [X] een verslag opgemaakt dat op 12 september 2002 door
[gedaagde] is ondertekend en op 25 november 2002 door [eiser]. In dit
verslag staat onder meer het volgende vermeld:
(
)
Het is wenselijk om na overeenstemming over dit
verslag de gemaakte afspraken te bekrachtigen en te ondertekenen.
(
)
Door het gesprek tussen de heren [naam eiser] en
[naam gedaagde] en de uitkomsten hiervan heb ik de hoop en verwachting dat
er een streep onder het verleden is gezet.
(
).
In het bijbehorende convenant is onder meer
opgenomen:
(
)
Deze afspraken worden niet alleen naar de
letter, maar vooral naar de geest uitgevoerd.
(
).
2.7 Op de Algemene Ledenvergadering van NOC*NSF
d.d. 26 november 2002 heeft [gedaagde] [eiser] aangeduid als de heer
A.G. te U.
2.8 Op 14 november 2003 is er in het Eindhovens
Dagblad een artikel verschenen, waarin [gedaagde] wordt geciteerd. In dit
artikel staat voor zover hier van belang het volgende vermeld:
(
) Vriend [naam eiser] plaatste te pas
en te onpas voltreffers die de sport niet dienden. Hij insinueerde dat we
sjoemelden met geld. Dat vind ik grof. En eerder hadden we dat rare gedoe
rond de IOC-statuten.(.).
2.9 Op 15 november 2003 is er in de Telegraaf
een artikel verschenen, waarin [gedaagde] wordt geciteerd. In dit artikel
staat voor zover hier van belang het volgende vermeld:
(
)
En dan dat gezeik over de statuten en die
illegale organisatie. Dan denk ik aan de Taliban. [Eiser] heeft op een
geweldige manier de Nederlandse sport beschadigd.
(
).
2.10 In een radio-interview met Business News
Radio in 2003 heeft [gedaagde] onder meer het volgende gezegd:
Mijn bezwaar tegen [eiser] is de beschadiging
van de sport door hem.
2.11 Op de ledenvergadering van NOC*NSF op 18
november 2003 heeft [gedaagde] medegedeeld dat aan [eiser] de wacht
aangezegd was. Dit is vervolgens een dag later als zodanig gepubliceerd
in een artikel in de Volkskrant en in een artikel in de Trouw.
3. De vordering
De vordering luidt om, voor zoveel mogelijk bij
vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- te verklaren voor recht dat [gedaagde] zich
bij herhaling in het publiek beledigend over de persoon van [eiser] heeft
uitgelaten, meer in het bijzonder door in het openbaar te laten weten dat
niemand in Nederland de sport meer heeft beschadigd dan [eiser], zulks
gevat in nodeloos grievende bewoordingen en beschouwingen over de persoon
van [eiser] en diens integriteit;
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een
schadevergoeding groot 1,- aan [eiser];
- [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit
geding.
Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten
heeft [eiser], mede in reactie op het verweer, aan de vordering de
volgende stellingen ten grondslag gelegd:
3.1 [Gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld door
zijn in het publiek gedane vaststelling dat [eiser] de sport schade heeft
toegebracht, meer in het bijzonder in de context van verdere opmerkingen
met als doel of in ieder geval als effect dat [eiser] als platvloers en
ongenuanceerd wordt geportretteerd en de gedachten van [eiser] tot
lachwekkend niveau worden gereduceerd.
De uitlatingen van [gedaagde] treffen de
reputatie van [eiser] als iemand die zich gedurende zijn gehele leven voor
de sport heeft ingezet, recentelijk in het bijzonder als bestuurder, in
het hart. Het beeld van [eiser] in de publieke opinie en dus zijn
reputatie worden hiermee immers ernstig ondergraven. Daarnaast zijn deze
uitlatingen voor [eiser] beledigend, omdat beoogd wordt hem in zijn
persoonlijk eergevoel te treffen, althans omdat [eiser] aldus in zijn
persoonlijk eergevoel wordt gekwetst. Dat is met opzet gedaan; [gedaagde]
kende [eiser] goed genoeg om te weten dat hij zich door deze uitlatingen
gekwetst zou voelen. De gekozen vorm is disproportioneel, kwetsend en
beledigend, en onnodig grievend.
3.2 Als [gedaagde] de uitlatingen gedaan heeft
als voorzitter van NOC*NSF en hij hiertoe door de NOC*NSF was gemachtigd,
hetgeen [eiser] betwist, ontheft dit [gedaagde] niet van zijn eigen
verantwoordelijkheid voor zijn uitlatingen. Hij heeft het onrechtmatige
beleid uitgevoerd, zodat hem dus een persoonlijk verwijt treft.
3.3 De onder 2.6 vermelde overeenkomst bevat
afspraken tussen [eiser] en NOC*NSF, vertegenwoordigd door zijn voorzitter
[gedaagde]. Hiermee is derhalve geen einde gemaakt aan de tussen partijen
gerezen geschillen en heeft [eiser] geen afstand van aanspraken gedaan. Op
basis hiervan kan geen gerechtvaardigd vertrouwen bij [gedaagde] zijn
ontstaan dat hij gevrijwaard zou blijven van een vordering als thans
aanhangig gemaakt.
4. Het verweer
Het verweer strekt tot afwijzing van de
vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.
[Gedaagde] heeft daartoe het volgende
aangevoerd:
primair
4.1 [Eiser] had in plaats van [gedaagde] in
persoon het (bestuur van) NOC*NSF in deze procedure dienen te betrekken.
De ten processe bedoelde uitlatingen zijn gedaan door [gedaagde] als
voorzitter van NOC*NSF en betreffen alle bestuurlijke kwesties. Van een
handelen in zijn hoedanigheid als privι-persoon is geen sprake geweest.
[Gedaagde] valt geen ernstig, persoonlijk verwijt te maken.
Subsidiair
4.2 Op basis van het onder 2.6 vermelde gesprek
in juli 2002 en het daarvan opgemaakt verslag en het feit dat [eiser] dit
gespreksverslag en het bijbehorende convenant heeft ondertekend, mocht
[gedaagde] erop vertrouwen dat de bezwaren van [eiser] over zaken die zich
daaraan voorafgaand hadden afgespeeld, per die datum definitief waren
weggenomen. [Eiser] heeft het vertrouwen gewekt dat hij zijn mogelijke
aanspraken ter zake van beweerdelijk onrechtmatige uitingen niet meer
geldend zou maken.
Meer subsidiair
4.3 Erkend wordt dat de uitlatingen hiervoor
vermeld onder 2.3, 2.4, 2.7, 2.8, 2.9, 2.10 en 2.11 door [gedaagde] zijn
gedaan. Betwist wordt dat de uitlating vermeld onder 2.5 is gedaan. De
door [gedaagde] gedane uitlatingen zijn echter niet onrechtmatig, nu het
steeds ofwel gaat om correcte weergaven en/of geoorloofde samenvattingen
van uitingen van [eiser], dan wel om meningen en waardeoordelen van het
bestuur van NOC*NSF, geuit in mondelinge gesprekken met journalisten. Het
gaat om scherpe, maar zakelijke kritiek aan het adres van [eiser], in
reactie op door [eiser] aan de orde gestelde onderwerpen. Van meer belang
is nog dat het ging om een reactie op de door [eiser] gekozen vorm waarin
en wijze waarop die onderwerpen aan de orde werden gesteld. De grenzen van
de betamelijkheid zijn daarbij door [gedaagde] steeds in acht genomen. De
uitingen vallen binnen de grondwettelijk en verdragsrechtelijk
gewaarborgde vrijheid van meningsuiting. Betwist wordt dat de uitingen
onnodig grievend en/of beledigend zijn geweest. Van opzet om te beledigen
is in elk geval geen sprake geweest.
4.4 Indien de uitingen wel als onrechtmatig
kunnen worden aangemerkt, leveren de context waarin deze zijn gedaan en de
uitingen van [eiser] zelf een rechtvaardigheidsgrond op.
5. De beoordeling
5.1 Het door [gedaagde] primair
gevoerde verweer wordt verworpen. Het uitgangspunt bij onrechtmatig
handelen is, dat de benadeelde diegene in rechte aan kan spreken die zelf
de onrechtmatige handeling heeft verricht. Dit uitgangspunt zou, indien
het onrechtmatig handelen bestaat uit het doen van beledigende en/of
onnodig grievende uitlatingen, uitzondering kunnen lijden in het geval de
persoon die deze uitlatingen heeft gedaan slechts fungeerde als spreekbuis
van anderen, waarbij hem of haar geen enkele vrijheid was gelaten
zijn/haar eigen bewoordingen te kiezen. Gelet op hetgeen [gedaagde]
hieromtrent zelf heeft gesteld was hiervan echter in casu geen sprake.
Andere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan in casu van het
uitgangspunt afgeweken zou moeten worden, zijn gesteld noch gebleken.
5.2 Ook het door [gedaagde] subsidiair gevoerde
verweer wordt verworpen. Allereerst dient geconstateerd te worden dat een
groot deel van de uitlatingen zijn gedaan na de bespreking van juli 2002,
waardoor er van de gestelde rechtsverwerking ten aanzien van deze
uitlatingen reeds om die reden geen sprake kan zijn. Voor wat betreft de
uitlatingen die voor juli 2002 zijn gedaan, is de rechtbank van oordeel
dat, als er al met bedoeld gesprek en het ondertekenen van het verslag
daarvan door [eiser] verwachtingen zijn gewekt dat [eiser] zou afzien van
aanspraken op basis van uitlatingen uit het verleden, [gedaagde] daaraan
in ieder geval niet het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat ook
als hij het debat op dezelfde toon zou voortzetten, hetgeen hij onbetwist
heeft gedaan, [eiser] bij een eventueel aan te spannen procedure ter zake
beledigende uitlatingen de uitlatingen die voor juli 2002 zijn gedaan niet
zou betrekken.
5.3 De rechtbank is van oordeel dat de
uitlatingen van [gedaagde] dat [eiser] de sport (bewust) schade heeft
toegebracht op zichzelf niet als beledigend en/of onnodig grievend kunnen
worden gekwalificeerd. Dat geldt ook als [gedaagde] de uitlating: er is
niemand meer die de sport meer beschadigt dan [eiser]. Kennelijk bevredigt
dat hem, vermeld onder 2.5 zou hebben gedaan, hetgeen hij betwist. De
uitlatingen hebben geen betrekking op de persoon van [eiser], doch op de
door hem geuite kritiek op het (bestuur van het) NOC*NSF en de wijze
waarop hij deze kritiek heeft geuit. De rechtbank is voorts van oordeel
dat, hoewel [gedaagde] [eiser] kent en de rechtbank aanneemt dat hij wist,
althans had moeten weten dat [eiser] geraakt zou worden door dergelijke
uitlatingen, uit niets blijkt dat [gedaagde] deze uitlatingen heeft gedaan
met het doel [eiser] te raken en opzettelijk te beledigen. Indien dat het
geval zou zijn geweest, zou de toonzetting van de uitlatingen anders zijn
geweest.
Ook indien deze uitlatingen bezien worden in de
context van de overige onder de vaststaande feiten opgenomen uitlatingen
van [gedaagde], acht de rechtbank deze uitlatingen niet beledigend en/of
onnodig grievend. De stelling dat [gedaagde] met deze uitlatingen [eiser]
als platvloers en ongenuanceerd portretteert, acht de rechtbank onjuist.
Ook deze overige uitlatingen hebben slechts betrekking op het
zakelijke en (door [eisers] eigen toedoen) in hoge mate openbare, althans
publiekelijk bekende gedrag van [eiser] en niet op zijn persoon, met
uitzondering van de uitlating vermeld onder 2.7, welke ook in de visie
van [eiser] zelf gezien moet worden als context/toonzetting en niet
als belediging op zich. Alhoewel het gedrag van [eiser] door [gedaagde] in
scherpe bewoordingen wordt bekritiseerd, kan niet gezegd worden dat hij
hiermee als platvloers en ongenuanceerd wordt geportretteerd; ook niet
door hem aan te duiden als de heer A.G. te U. De rechtbank neemt aan
dat [eiser] de uitlatingen wel als zodanig heeft ervaren en zich oprecht
daardoor gekwetst heeft gevoeld, doch is van oordeel dat deze uitlatingen
objectief bezien niet gekwalificeerd kunnen worden als beledigend en/of
onnodig grievend. Hierbij wordt opgemerkt dat, nu [eiser] een publieke
persoonlijkheid is, er slechts een zeer beperkte ruimte is voor
subjectieve invulling. Dit betekent dat de enkele gevoelens van
gekwetstheid van [eiser], hoe bezwaarlijk voor hem en zijn familie ook,
slechts een zeer beperkte rol kunnen spelen bij het oordeel over de (on)rechtmatigheid.
Bovendien brengt de vrijheid van meningsuiting mee dat, zeker in het kader
van het mede door [eiser] gezochte debat, [gedaagde] een zekere vrijheid
van formuleren toekwam en hij niet gehouden was steeds de meest neutrale
bewoordingen te kiezen, zeker niet waar het gaat om
het ventileren van
persoonlijke opvattingen.
Het voorgaande overziend komt de rechtbank tot
het oordeel dat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld, zodat de
vorderingen van [eiser] afgewezen dienen te worden.
5.4 [Eiser] wordt als de geheel in het ongelijk
gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.
6. De beslissing
De rechtbank,
wijst af de vordering van [eiser];
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan
deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op 241,- aan vast
recht en op 1.808,- aan salaris voor de procureur.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hofmeijer-Rutten,
mr. Fiege en mr. Braams.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting.
204/106/366
|
|