Mijn zorgen over de periode
na de Winterspelen van Salt Lake City.
Mijn
vorige gespreksnotitie grijpt voornamelijk terug op gebeurde zaken. Na ons
constructief eerste gesprek heb ik nog een reactie naar Theo gestuurd over
punten van aandacht n.a.v. het gesprek. Vervolgens heb ik dit stuk maximaal
toekomstgericht geschreven. Toch ontkom ik er niet aan erop te wijzen dat
recente publicaties waarin de NOC-NSF voorzitter geciteerd wordt over mij, mij
pijnlijk hebben getroffen. Als de journalist hem goed heeft gequoot zou ik
NOC-NSF en de Nederlandse sport bewust hebben willen beschadigen en zou ik pure
onwaarheden hebben verteld.
Jullie
moeten je kunnen voorstellen dat ik mijn life-time commitment met de sport op
geheel andere wijze beleef. Ik zie dat de geschiedenis zich herhaalt. Toen ik
29 januari 2000 een ere-doctoraat aan de Kokushikan Universiteit van Tokio
kreeg, schreef de President van de Internationale Judo Federatie in zijn
voorwoord dat
…. Anton Geesink has had a tremendous influence
on the international sport of judo for over 40 years, as competitor, coach and
teacher, EJU and IJF Board member and IOC member. Due to his independent and
innovative ideas he serves the judo community with valuable and new ways based
on tradition, but focussed on the future of our society. Sometimes he
discovered that there will be no evolution without revolution. During those
times he was able to enforce his ideas because he wrote documents to underline
that his ideas were founded strongly over the course of many years……….
Hij
spreekt hier over dezelfde ideeën waarvoor ik jaren tevoren opmerkingen moest
slikken als dat ik de judosport wilde beschadigen…... Inmiddels ben ik sinds
1997 ’s werelds hoogst gegradueerde judoka.
Ik
ben kritisch, vasthoudend en opereer vanuit een permanente vorm van
ontevredenheid omdat ik door mijn betrokkenheid en enorm netwerk heel vaak zie
en hoor dat hoe iets beter kan. Logisch dat ik, waar ik een opdracht uit het
IOC heb, die ik serieus oppak. Maar als de roerganger van NOC-NSF dat uitlegt
als beschadiging van NOC-NSF en Nederlandse sport, voel ik mezelf beschadigd.
Zeker omdat tot heden mijn stukken gericht aan het bestuur door hem van
generlei aandacht werden voorzien. Teveel stukken werden, als ze al in de
bestuursvergadering aan de orde kwamen ingebracht als ingekomen stuk en voor
kennisgeving aangenomen, zonder dat er met de inhoud iets werd gedaan.
Duidelijk wil ik aangeven dat ik in deze rol gedwongen ben. Het is een goed
recht van de voorzitter geen tijd te nemen om met de IOC-vertegenwoordiger
overleg te voeren of iets met diens voorstellen te doen. Het is mijn recht te
pogen aandacht voor mijn voorstellen (vnl m.b.t. Olympische Beweging) te
krijgen. Ik doe dat altijd via dezelfde route: eerst intern dan extern.
Met
het risico dat ik weer op iemands tenen trap door te stellen “Beter goed gejat
dan slecht ontwikkeld”, wil ik andermaal het IOC ten voorbeeld stellen. In dit
geval door aan te geven hoe het IOC omgaat met mijn Evaluatie rapport dat ik
als IOC Delegate maakte na afloop van de Olympische Spelen. De bijgaande brief
van de sportdirecteur van het IOC, en met name de openingszin, spreekt voor
zich.
In
mijn beleidsnota “Liever een hengel dan een vis”, heb ik mijn zorgen geuit over
cultuur en structuur in NOC-NSF. Ik wil dat nader uitwerken als aftrap naar het
vervolggesprek van Ernst Faber, Hans Gerrits Jans, Frits Brink, Theo Fledderus
en mij. De intenties die Theo Fledderus in zijn brief aan mij n.a.v. het vorig
gesprek heeft uitgesproken, versterken de noodzaak tot deze verdere
onderbouwing, omdat voor mij daarmee helder is dat de opgaande lijn in de
relatie met de IOC-vertegenwoordiger in Nederland die is ingezet in de periode
van interim-voorzitter van der Reijden terug is op het niveau van 1998. Let
wel: Mits het bestuur de door Theo geformuleerde voorstellen zou goedkeuren.
Dat schiet dus niet op.
Ter illustratie:
*
Het heeft precies 15 jaar geduurd na mijn eerste oproep daartoe voordat atleten
bestuurlijke verantwoordelijkheid gaan krijgen in NOC-NSF. Dat is liefst 12 jaar, nadat de atletencommissie is opgericht (citaat uit toespraak Jan Loorbach tijdens
1st European seminar “On the position of the athlete” Amsterdam mei 2000: “On a
rainy day almost 10 years ago I attented first elections for the Dutch Athletes
Committee, which were held at the Ice rink in Alkmaar. The then chairman of the
Dutch NOC, Mr. Huibregtsen and Mr. Anton Geesink had come to the conclusion
that it was time to set up an own Athletes Committee”).
*
Onder voorzitterschap van Ernst Faber heeft een onafhankelijke werkgroep in
januari 1998 aan toenmalig voorzitter Wouter Huibregtsen een uitgewerkt
voorstel gepresenteerd waarin de verhouding tussen NOC-NSF bestuur en de
Nederlandse IOC-leden werd uitgewerkt. Kernpunten van dat voorstel, door de
toenmalige voorzitter vlak voor zijn vertrek naar Nagano geaccordeerd, hebben
grote overeenkomst met de door Theo voorgestelde aandachtspunten.
Ik
leid daaruit af dat ontwikkelingen binnen NOC-NSF erg langzaam gaan en een der
oorzaken daarvan is m.i. het gegeven dat binnen NOC-NSF te vaak
bestuursbenoemingen op ad hoc basis plaats vinden. Dat leidt ertoe dat
bestuurders komen en gaan en iedere keer weer moeten inwerken, het wiel
uitvinden en dan vertrekken, terwijl de life-time sportbetrokkenheid en
doorstroom van bestuurders onvoldoende aandacht wordt besteed. Dit gebrek aan continuïteit wordt versterkt
door de vele mutaties in de Papendal staf.
Ons
vorig gesprek was van dien aard positief dat ik –naast de punten die ik in mijn
reactie op Theo’s samenvatting heb aangegeven- durf aan te sturen op een sterk
resultaatgerichte aanpak in de vorm van het voorstel van een “masterplan
doorstroom Olympians” dat op korte termijn aantoonbaar resultaat heeft.
Toelichting:
NOC-NSF heeft in haar beleid duidelijk een
slagboom ingebouwd. Die ligt rond de Spelen van 2004. Alles is erop gericht in
SLC en Athene méér medailles dan ooit te halen. En ik heb in ons vorig gesprek
aangegeven de indruk te hebben dat er beleid wordt gevoerd waarmee maximaal
tegemoet wordt gekomen aan het verlanglijstje van atleten en trainers, zonder
daarbij verantwoordelijkheid voor de continuïteit van de totale topsport
organisatie te dragen.
In de voorbereiding op SLC en Athene krijgt elke atleet die naar een exotisch plekje wil om daar te trainen of om zich zelf weer te ondekken de kans daartoe (Albeda: “Na afloop van de Spelen mag geen enkele atleet oorzaak van falen zoeken in gebrek aan faciliteiten en ondersteuning”).
Wat
na 2004 gebeurt met NOC-NSF is onduidelijk op een aantal punten zowel in termen
van financiën als van bestuur, staf en organisatie.
-
Financieel: In financiële zin gaapt er na 2004 een enorme kloof tussen
ambitie en realiteit bij topsport. Tal van sponsorcontracten lopen af.
-
Bestuurlijk: Er zit een interim-bestuur dat voorwaardenscheppend de weg
naar de toekomst moet plaveien. Als ik kijk naar de benoeming van de chef de
mission en portefeuillehouder topsport, heeft dit bestuur niet gekozen voor het
principe “van, voor en door de sporters”. Zelf ben ik er niet in geslaagd de bonden bewust te maken van het belang dat
artikel 5.3 uit de statuten moet, waarbij ik graag het het verbod opgeheven zie
dat bondsbestuurders ook bestuurder van NOC-NSF mogen zijn als bonden daar zelf
voor kiezen. Gelukkig komt er in mei 2002 tijdens de ALV wel meer invloed voor
de atleten en heeft het bestuur nadrukkelijk uitgesproken dat de bonden veel
intensiever bij kandidaatstellingen voor NOC-NSF bestuur worden betrokken en
gevraagd worden voordrachten te doen. Ook dat is winst.
-
Staf: Het team de mission wordt ontbonden in 2004.
-
Organisatie: NOC-NSF heeft nogal wat kracht naar zich toegetrokken van
de bonden (centralistisch beleid gebaseerd op verdeel en heers strategie).
Binnen NOC-NSF opereert het team de mission en de bestuurder met topsport als
werkveld formeel onder verantwoordelijkheid van het gehele bestuur, maar
feitelijk autonoom.
Minimaal
vier factoren wijzen erop dat we binnen het bestuur de zaak nog eens heel goed
moeten evalueren en nagaan waar de NOC-NSF werkwijze aanpassing behoeft:
-
Het einde van Olympische Spelen is een uitermate geschikt en natuurlijk
moment van evaluatie (gekoppeld aan de evaluatie van de prestaties).
-
De kritiek uit de 144.
-
Als je atleten in alles tegemoet komt, biedt dit de organisatie slechts
tijdelijk rust, maar niet permanent.
-
De november-klacht van de grote bonden dat de macht die NOC-NSF heeft
te groot is.
T.a.v.
het gesprek wil ik twee hoofdthema’s aan de orde stellen. Het zijn thema’s die
door recente voorbeelden niet alleen voor mezelf belangrijk zijn, maar ook
binnen NOC-NSF belangrijk worden nu ze op de agenda staan. Het zijn:
De
tijd is er dus rijp voor omdat onze visie op de thema’s niet echt
controversioneel is. Alle betrokkenen willen de rol van atleten en bonden
versterken. Vooruitgang dient m.i. dan zowel in de statuten als in verkiezingen
tot uitdrukking te komen.
In
de periode rond de Olympische Spelen zie je een verhoging van het aantal
atleten die hun carrière als actief sporter afsluiten.
In
mijn eerdere beleidsplannen heb ik er altijd op aangedrongen dat het bestuur
dat moment moet oppakken om extra inspanningen te doen om deze atleten te
behouden voor de sport zodat ze hun morele verplichting hun kennis en ervaring
– voor een groot deel opgebouwd met gemeenschapsgeld- over te dragen aan de
nieuwe generatie sporters: Het aanvaarden van bestuursverantwoordelijkheid is
één van de mogelijkheden.
Ik
benadruk overigens dat niet alleen atleten die overdracht-verantwoordelijkheid
hebben maar ook coaches en anderen in de directe omgeving van de atleten, die
dankzij de uitzonderlijke prestaties van die atleten een hoog inkomen genieten
in de sport en na afloop van de spelen het nog grotere geld nalopen, terwijl
een groot deel van de atleten, opnieuw vanaf de nullijn moeten starten.
Ik benadruk ook dat die atleten en coaches door een actief NOC-NSF bestuur op die rol dienen te worden voorbereid (voorbeeld: Het Duits voetbal is voorbeeldig in deze zin: de bondscoach weet doorgaans jaren tevoren dat hij genomineerd is voor die functie en krijgt aanloopfuncties; De manager van een der belangrijkste clubs –Bayern München- is een ex-topvoetballer die nu al aankondigde de huidige doelman –Kahn- voor te bereiden op het overnemen van zijn functie in 2006. Zo als ik hierboven vermeldde, ben ik er in de afgelopen jaren niet in geslaagd te bewerkstelligen dat chef de mission en portefeuillehouder topsport zijn gekozen uit de atleten c.q. Olympians. Sterker nog: ik heb er geen enkele invloed op kunnen uitoefenen. Terwijl ik vind dat de olympische atleten het recht hebben op een bestuur en chef de mission met olympische ervaring. Die weten precies hoe het eraan toe gaat in de aanloop naar de spelen, in het Olympisch dorp en vooral tijdens de wedstrijden. De chef de mission is een aanvulling voor de coach, niet sport technisch,maar vooral op het mentale vlak. Ik ken voldoende voorbeelden van atleten, die enorm geïrriteerd raakten als iemand zonder olympische ervaring een of ander advies wilde geven. .
Ik
stel vast dat de rol van de atleten in het buitenland wordt versterkt:
-
Denk aan FIFA –zie brief FIFA voorzitter Blatter aan mij-,
-
denk aan voorbeelden als Beckenbauer, Rumenigge, Hoeness en
-
denk vooral aan het IOC voorbeeld -Olympian Rogge als voorzitter- die
bij de vergadering van de IOC atleten commissie met gejuich werd ontvangen en
verwelkomt werd met de woorden:”Geachte voorzitter, we zijn vereerd U als
olympian in onze vergadering te mogen begroeten”.
Met
genoegen stel ik vast dat het NOC-NSF bestuur voornemens is aan de ALV voor te
stellen de atleten een bestuurszetel toe te kennen en bovendien heeft
aangegeven de bonden actief bij verkiezingen te betrekken.
Die
uitgesproken intenties zie ik graag vertaald in concrete aanpak, gebaseerd op
concrete doelen, die snel resultaat van die voornemens laten zien in de
bestuurdersprofiel en bestuurssamenstelling i.c. versterking van de rol van
atleten en bonden. Meteen na afloop van de Winterspelen is de tijd rijp en het
moment aangebroken om daar actief beleid op te gaan voeren teneinde te
voorkomen dat er in 2004 een slagboom is die blijkt dicht te gaan.
De
samenstelling van het huidig interim bestuur biedt volop de kans ook voor de
buitenwacht herkenbaar te accentueren dat nieuw beleid gevoerd wordt. Ik heb de
vrijheid genomen wat namen te noemen van ex-olympische deelnemers (medalje
winnaars) die voor het Nederlandse sportbestuurlijke onontbeerlijk zijn. Ik
denk aan Peter Blangé, André Bolhuis, Ard Schenk, Erica terpstra, Kees
Vervoorn, Sjoukje Kosmaier-Dijkstra, Ada Kok, …Uiteraard mogen daarin ook niet
de uitdrukkelijk door bonden voorgedragen kandidaten ontbreken.
Zo
zou ik wel door kunnen gaan, maar dat laat ik liever over aan de instanties die
alle know how van de sport herbergen: NOC-NSF, de Atletencommissie, de 144,
Vereniging van oud olympische deelnemers en vanzelfsprekend de bonden. Deze
kenniscentra van de Nederlandse sport moeten eindelijk actief betrokken worden
(zowel als headhunter als opleider) bij het zoeken naar capabele ex atleten
voor bijv. de samenstelling van het NOC-NSF-bestuur. Met zijn verschillende
commissies biedt de NOC-NSF structuur een uitstekend leerbedrijf. Op die wijze
moet het mogelijk zijn ad hoc benoemingen voor de belangrijke bestuurlijke
posten vrijwel uit te sluiten omdat aankomend talent –in de sport zelf opgeleid
en uit eigen ervaring alle facetten in die sport beleefd- popelt om het stokje
over te nemen. De doorlopende lijn wordt daardoor sterk benadrukt en dat is een
extra zekerheid voor de continuïteit en betrokkenheid.
Atleten
hebben niet alleen recht op de know how van het Nederlandse sportverleden. Ze
hebben ook opvolgingsrecht en –plicht op het terrein van het sportbestuurlijke.
Sport heeft een duidelijk internationaal karakter. Het is recht en plicht van
de Nederlandse koepel dat in het eigen beleid in te bouwen want het komt ook de
Nederlandse sport zeer ten goede.
Er
is o.a. op het Europese en mondiaal
sportbestuurlijk vlak een heleboel te doen om uit te drukken dat Nederland een
echt sportland is.
Ook
hier hebben Olympians een enorme voorsprong. Bestuurders met een olympische achtergrond hoeven zich niet
keer op keer voor te stellen tijdens belangrijke internationale vergaderingen.
In de olympische atleten directory staat alles in geuren en kleuren vermeld.
Aanwezige congresgangers zoeken uit zichzelf deze bestuurders/ex-atleten op en
stellen zich aan hen voor. Het ijs is direct gebroken omdat zij niet eerst hun
positie moeten legitimeren. Herinneringen en ervaringen worden uitgewisseld.
Eenmaal een olympian, altijd een olympian.
Mijn
voorstel is dat, aangestuurd door NOC-NSF, een masterplan “doorstroom” wordt
samengesteld over dit onderwerp (en ik stel het op prijs als het bestuur de BAC
Olympische thema’s en Fair Play hierover een advies laat uitbrengen) dat
vervolgens met eerder genoemde partijen verder wordt uitgewerkt en uitgevoerd.
Utrecht, 6 januari 2002
Anton J. Geesink